De door de verdachte gegeven lezing komt het hof onwaarschijnlijk voor op de volgende gronden:
- eerst ruim een jaar na voormelde eerste leningen van 12 december 2002 en 1 maart 2003, voor welke leningen geen rentevergoeding werd bedongen, noch enige zekerheidstelling verkregen, zou het bedrag van ? 150.000,- volgens een mondelinge overeenkomst van 24 januari 2004 aan de verdachte zijn "doorgeleend";
- de verdachte heeft niet op enig moment duidelijkheid gegeven omtrent de relatie tussen genoemde [A.], [B. Inc.], [S.], [G.] en hemzelf, noch uiteengezet op welke wijze voormelde geldbedragen, die aan [B. Inc.]. respectievelijk [S.] zijn geleend, bij [G.] terechtgekomen zijn;
- de gestelde mondelinge overeenkomst van 24 januari 2004 is eerst na verdachtes aanhouding op papier gezet;
- daarbij is geen onderpand overeengekomen en - anders dan de verdachte verklaart - geen rente over de looptijd van de lening bedongen, maar alleen een boeterente bij te late terugbetaling;
- de verdachte heeft het bedrag niet in zijn geheel ineens gekregen maar in gedeelten, hoewel het toen wel beschikbaar zou moeten zijn geweest getuige de beide eerdere leencontracten;
- de tranches sluiten niet aan bij de geldopnames zoals deze blijken uit het overzicht van de bankrekening van [G.];
- de verdachte heeft het geld niet-rentedragend in een kluis bij zijn werkgever - een investeringsbedrijf ! - gelegd;
- de verdachte heeft deze transactie privé afgesloten, terwijl hij stelt een inkomen te hebben van gemiddeld ? 1.300,- a ? 1.700,- netto per maand;
- met de reis van de verdachte van Kiev naar Antwerpen en de reis van zijn collega van Wenen naar Antwerpen om het geld te brengen zijn hoge kosten gemaakt, zonder dat daar enig kenbaar financieel voordeel tegenover stond;
- de verdachte heeft zijn reis gemaakt zonder zich ervan te vergewissen of hij bij het bedrijf in Antwerpen terecht kon;
- de verdachte stelt dat hij nog telefonisch contact met de heer [W.] van het betreffende bedrijf heeft gehad, maar dat wordt niet bevestigd in de verklaringen van deze [W.], die verklaart dat het ging om de jaarlijkse vaste zomervakantie van het bedrijf;
- de juwelenhandel past niet binnen de bedrijfsomschrijving van [G.];
- ondanks het feit dat het geld onder de verdachte in beslag is genomen en [G.] dientengevolge een aanzienlijke vordering inclusief boeterente op verdachte claimt, leent verdachte blijkens brief van [H.] d.d. 21 december 2005 op 14 juli 2005 een bedrag van ? 9.000,- uit aan [G.];
- genoemde, door de verdediging overgelegde brief van [H.], gedateerd 21 december 2005 is gericht aan [G.]. Genoemde brief bevat als naschrift de volgende tekst: 'Geachte heer [K.]! In de bijlage de beoogde brief. Ik verzoek u om mij mede te delen of en op welk punt er bedenkingen zijn tegen deze versie.' Het hof leidt hieruit af dat bedoelde brief, welke in het geding is gebracht om de verklaringen van de verdachte te onderbouwen, is geschreven op verzoek van de verdachte en dat de inhoud van de brief is opgesteld aan de hand van door de verdachte verstrekte gegevens;
- het in beslaggenomen bedrag bestaat uit ongebruikelijke coupures, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat coupures van ? 500,- louter in het criminele circuit plegen te worden gebruikt.