ECLI:NL:GHAMS:2007:BA8015
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- G.J. Visser
- A.C. Faber
- J.C.W. Rang
- Rechtspraak.nl
Bewijsverplichting bij ontbindingsovereenkomst wegens gebrekkige steiger en spoedeisend herstel
In deze civiele procedure tussen Bouwmachines Den Haag B.V. en een schildersbedrijf staat de vraag centraal of de overeenkomst betreffende fase III buitengerechtelijk ontbonden kan worden wegens gebreken aan gehuurde steigers in fasen I en II. Het schildersbedrijf vordert een verklaring voor recht van ontbinding, vergoeding van herstelkosten en schadevergoeding wegens meerkosten voor vervangende steigers.
De Hoge Raad heeft bepaald dat geen ingebrekestelling vereist is indien de gebreken spoedeisend waren en de herstelwerkzaamheden geen uitstel konden lijden, mits de opdrachtgever redelijkerwijs de steigerbouwer op de hoogte stelde. Het hof gaat ervan uit dat herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd en dat Bouwmachines in beginsel alleen bij verzuim aansprakelijk is.
Het schildersbedrijf heeft diverse gebreken en onveilige situaties gesteld en bewijsstukken aangevoerd, waaronder verklaringen van medewerkers en derden. Desondanks oordeelt het hof dat deze stellingen onvoldoende concreet zijn om te concluderen dat sprake was van een tekortkoming die ontbinding rechtvaardigt. Het hof staat het schildersbedrijf toe het bewijs verder te concretiseren en gelast een comparitie om de bewijsmogelijkheden te bespreken en een minnelijke schikking te beproeven.
De procedure wordt aangehouden en partijen worden opgeroepen voor een comparitie bij de raadsheer-commissaris. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan totdat het bewijs is aangevuld en besproken.
Uitkomst: Het hof houdt de beslissing aan en gelast een comparitie om het bewijs verder te concretiseren en een minnelijke schikking te beproeven.