ECLI:NL:GHAMS:2007:BA8836
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J. den Boer
- E.A.G. van der Ouderaa
- P.F. Goes
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt gedeeltelijke toepassing eigenwoningregeling op werkruimte in woning
Belanghebbende, voormalig directeur en enig aandeelhouder van een BV, zette zijn adviesactiviteiten voort als eenmanszaak vanuit een werkruimte in zijn eigen woning. De inspecteur stelde dat deze werkruimte niet tot de eigen woning behoorde, waardoor de rentekosten voor het aan die ruimte toe te rekenen deel niet aftrekbaar zouden zijn in box I, maar moesten worden belast in box III.
De rechtbank Haarlem oordeelde eerder dat de werkruimte volledig tot de eigen woning behoorde, maar het Gerechtshof vernietigde deze uitspraak. Het Hof stelde vast dat het bedrijfsmatig gebruik van de werkruimte niet onbeduidend was en dat de ruimte voor de helft een zakelijke en voor de helft een privébestemming had.
Hierdoor moest de WOZ-waarde en de aan de werkruimte toe te rekenen eigenwoningschuld worden gesplitst, met als gevolg dat 50% van de rentekosten aftrekbaar is in box I en 50% in box III wordt belast. Het Hof verwierp het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel en bevestigde dat het onderscheid tussen ondernemers en resultaatgenieters binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever valt.
De aanslag werd verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van €83.656 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €16.383. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van belanghebbende gegrond verklaard.
Uitkomst: De werkruimte valt voor de helft onder de eigenwoningregeling en voor de helft onder box III, met een evenredige splitsing van de rentekosten.