2.8. Met de rechtbank Rotterdam is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] in het door hem te leveren (tegen)bewijs is geslaagd. In dat verband is het volgende van belang.
1) De getuigenverklaringen van [appellant], [geïntimeerde] en [betrokkene 1] laten geen andere conclusie toe dan dat [appellant] aan [betrokkene 1] instructies heeft gegeven op grond waarvan deze de, ten processe bedoelde brief van 13 september 1990 heeft geformuleerd, waarvan de inhoud overeenstemt met het standpunt van [geïntimeerde] aangaande de inhoud en de strekking van het voorkeursrecht. Voorts blijkt uit de verklaringen van [appellant] en [geïntimeerde] dat zij de notaris geen instructies hebben gegeven.
2) [Betrokkene 1] heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren of hij contact heeft gehad met de notaris.
3) De notaris heeft verklaard: “Ik herinner mij niet dat er, naast de instructie van [betrokkene 1], andere instructies zijn gegeven. Ik kan dat echter niet uitsluiten. Het is mogelijk dat telefonisch door (één van) partijen telefonisch andere instructies zijn gegeven (...)”. “(...) Het door mij gesignaleerde verschil als hiervoor aangeduid, kan er ook het gevolg van zijn, en dit vind ik de meest logische verklaring, dat ik er op grond van de brief van [betrokkene 1] van uitging, dat als de V.O.F. vervroegd zou eindigen, de onderneming per definitie door [naam appellant] B.V. – een B.V. waar [appellant] de aandelen van hield – zou worden voortgezet. Wat ik mij herinner is, dat ik bij het opstellen van de (concept)akte heb zitten denken: hoe krijg ik de formulering netjes voor elkaar. Ik herinner mij niet dat ik bewust een wijziging heb aangebracht ten opzichte van de formulering van [betrokkene 1] in diens brief. U vraagt mij naar het in de akte onder D sub 6 en 7 verwoorde. Het is zeker mogelijk dat zowel het herleven van het voorkeursrecht als de boetebepaling op mijn initiatief in de (concept)akte zijn opgenomen. Ik acht dat zelfs waarschijnlijk.”
Voorts heeft de notaris verklaard:
“(...) Ik herinner mij niet dat ik met (een van) partijen over de formulering van het voorkeursrecht heb gesproken.”
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat op grond van deze verklaring van de notaris niet aannemelijk is dat de notaris contact heeft gehad met de partijen, temeer nu [appellant] en [geïntimeerde] het tegenovergestelde hebben verklaard en de notaris ook heeft verklaard, zoals hiervoor reeds weergegeven, dat hij zich niet kan herinneren een dergelijk contact met partijen te hebben gehad.
Ook het hof gaat er vanuit dat de notaris bij het concipiëren van het eerste concept van de te verlijden akte uit is gegaan van de brief van [betrokkene 1] van 13 september 1990, maar de in die brief gegeven instructies terzake van het voorkeursrecht niet correct heeft uitgevoerd.
Dit betekent dat moet worden aangenomen dat partijen niet zijn overeengekomen wat in de notariële akte van 15 oktober 1990 onder D terzake van het voorkeursrecht is opgenomen. Daaruit volgt dat door het door [geïntimeerde] bijgebrachte bewijs het door de akte geleverde bewijs is ontzenuwd. De grieven III tot en met XI falen dan ook.