ECLI:NL:GHAMS:2008:BH8898

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
106.001.235/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling proceskostenveroordeling bij vermeende frauduleuze vordering

In deze civiele procedure stond centraal of de proceskostenveroordeling volgens het liquidatietarief kon worden verhoogd omdat de wederpartij een frauduleuze vordering zou hebben ingesteld. Delta Lloyd stelde dat de wederpartij wist dat zijn vordering frauduleus was en vorderde daarom een hogere proceskostenvergoeding.

Het hof verwees naar een eerder arrest waarin werd overwogen dat alleen bij buitengewone omstandigheden, zoals het vaststaan van fraude, van het liquidatietarief kan worden afgeweken. Delta Lloyd overlegde stukken waaruit bleek dat de strafzaak tegen de wederpartij was geseponeerd wegens gebrek aan bewijs en dat een civiele vordering tegen een verzekerde van Delta Lloyd onvoldoende was onderbouwd.

Het hof oordeelde echter dat deze stukken niet voldoende bewijs leverden dat de wederpartij bewust een frauduleuze vordering had ingesteld. De wisseling van feitelijke grondslag was niet doorslaggevend en de mogelijkheid tot nader bewijs werd door het hof gepasseerd omdat dit buiten het bestek van het geding viel.

Daarom faalde de grief van Delta Lloyd en werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Delta Lloyd werd veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep, begroot op €670,50.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek van Delta Lloyd af om de proceskostenveroordeling te verhogen wegens vermeende fraude.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
[…],
wonende te Purmerend,
GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. P.N. van Regteren Altena, gevestigd te Amsterdam,
t e g e n
de naamloze vennootschap
DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V,
gevestigd te Amsterdam,
APPELLANTE in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. Chr.H. van Dijk, gevestigd te Amsterdam.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
De partijen worden hierna wederom [de wederpartij] en Delta Lloyd genoemd.
Op 24 november 2005 heeft het hof in deze zaak een arrest gewezen, dat wat betreft het thans nog aan de orde zijnde incidentele appel een tussenarrest was. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar dat arrest verwezen.
Delta Lloyd heeft bij akte bewijsstukken overgelegd en een bewijsaanbod gedaan. [De wederpartij] heeft bij antwoordakte daarop gereageerd en eveneens bewijs aangeboden.
Ten slotte is wederom arrest gevraagd.
2. Beoordeling
2.1 Bij het arrest van 24 november 2005 heeft het hof in het principale appel het vonnis waarvan beroep (lees: voor zover in het principaal appel aan de orde gesteld) bekrachtigd, met veroordeling van [de wederpartij] in de kosten van het principaal hoger beroep, zoals gebruikelijk berekend aan de hand van het liquidatietarief. In het incidentele appel heeft het hof in het kader van de behandeling van de grief van Delta Lloyd, die inhoudt dat er aanleiding is om [de wederpartij] tot een hoger bedrag dan het liquidatietarief in de proceskosten te veroordelen, overwogen dat slechts onder buitengewone omstandigheden aanleiding bestaat om van het liquidatietarief af te wijken. Voorts heeft het hof overwogen dat, indien komt vast te staan dat [de wederpartij] Delta Lloyd in rechte heeft betrokken terwijl hij wist dat de grondslag van zijn vordering frauduleus was, dit een buitengewone omstandigheid kan opleveren die afwijking van het liquidatietarief rechtvaardigt. Omdat de fraude (nog) niet was komen vast te staan doordat de strafrechtelijke zaak nog niet was afgedaan en in de civiele zaak van [de wederpartij] tegen Waalpaal B.V. door het hof nog geen arrest was gewezen, heeft het hof Delta Lloyd in de gelegenheid gesteld bij akte mededeling te doen van de uitkomsten van voormelde procedures en ieder verdere beslissing aangehouden.
2.2 Bij haar akte heeft Delta Lloyd stukken overgelegd waaruit blijkt dat de strafzaak tegen [de wederpartij] en zijn zwager [naam zwager] is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs en dat het daartegen gerichte beklag van Delta Lloyd door de strafkamer van dit hof is afgewezen bij beschikking van 13 maart 2007. Voorts heeft Delta Lloyd een arrest van dit hof van 13 oktober 2005 overgelegd, waarbij het hof het vonnis heeft bekrachtigd waarbij de rechtbank de vordering van [de wederpartij] tegen Waalpaal B.V, de verzekerde van Delta Lloyd, heeft afgewezen op grond van het oordeel dat [de wederpartij] zijn stellingen over de wijze waarop de schade zou zijn ontstaan, onvoldoende heeft onderbouwd.
2.3 Anders dan Delta Lloyd meent kan op basis van de door haar overgelegde stukken niet als vaststaand worden aangenomen dat [de wederpartij] wist dat de grondslag van zijn vordering frauduleus was, toen hij Delta Lloyd in rechte betrok. Weliswaar heeft het hof in de beklagzaak overwogen dat er aanknopingspunten bestaan om strafbaar handelen van [de wederpartij] aan te nemen, maar het hof heeft tevens overwogen dat daar het een en ander in het voordeel van [de zwager] en [de wederpartij] tegenin kan worden gebracht, zodat voor een strafrechtelijk oordeel over de fraude nader onderzoek was vereist, dat het hof echter niet opportuun heeft geacht. Ook de omstandigheid dat [de wederpartij] in het geding tegen Waalpaal B.V. zijn standpunt dat de schade is ontstaan doordat een heiblok van de rijdende vrachtwagen is gerold, onvoldoende heeft kunnen onderbouwen, bewijst niet dat hij de vordering tegen Delta Lloyd, die is gebaseerd op de stelling dat het heiblok tijdens het laden en lossen van een vrachtwagen van Waalpaal B.V. is gerold, tegen beter weten in heeft ingesteld. De hiervoor gesignaleerde wisseling van feitelijke grondslag geeft wel te denken, maar is gezien het feit dat [de wederpartij] stelt dat hij zijn mededelingen over de feitelijke toedracht slechts van horen zeggen heeft, niet doorslaggevend.
2.4 De in het arrest van 24 november 2005 bedoelde buitengewone omstandigheid dat komt vast te staan dat [de wederpartij] welbewust een frauduleuze vordering heeft ingesteld, doet zich derhalve thans niet voor. Het door Delta Lloyd gedane aanbod tot het leveren van nader bewijs door getuigen wordt door het hof gepasseerd. Hiertoe wordt als volgt overwogen.
2.5 Het hof heeft met zijn hiervoor weergegeven overwegingen in het tussenarrest niet beoogd Delta Lloyd in algemene zin toe te laten tot het bewijs van haar stelling dat [de wederpartij] welbewust een frauduleuze vordering heeft ingesteld, maar het heeft slechts bedoeld dat een uitzondering op de toepassing van het liquidatietarief mogelijk zou zijn indien na de aktenwisseling het frauduleuze karakter van de vordering op basis van de uitkomst van (een van) de beide genoemde andere procedures zou kunnen worden vastgesteld. Aldus zou immers op betrekkelijk eenvoudige wijze duidelijkheid hebben kunnen worden verkregen over de (on)juistheid van voormelde stelling van Delta Lloyd. Nu dat niet mogelijk is gebleken ziet het hof geen aanleiding een afwijking van het liquidatietarief te overwegen. Een bewijslevering door getuigen over de vraag of [de wederpartij] bij het instellen van zijn vordering wist dat de grondslag van zijn vordering frauduleus was gaat naar het oordeel van het hof het bestek van wat in het onderhavige geding nog te beslissen valt te buiten. Hierbij verdient opmerking dat Delta Lloyd terzake ook geen (op onrechtmatige daad gebaseerde) reconventionele vordering heeft ingesteld.
2.6 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de incidentele grief faalt. Het vonnis van de rechtbank, voor zover in incidenteel hoger beroep bestreden, zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij dient Delta Lloyd de kosten van het incidenteel hoger beroep te dragen, begroot volgens het liquidatietarief.
3. Beslissing
Het hof:
in incidenteel hoger beroep
- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2003, onder nummer 253422/H.02.2488 gewezen tussen [de wederpartij] als eiser en Delta Lloyd als gedaagde, voor zover in incidenteel hoger beroep bestreden;
- veroordeelt Delta Lloyd in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [de wederpartij] begroot op € 670,50;
- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, G.B.C.M. van der Reep en C.A. Joustra en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 16 december 2008.