Uitspraak
mr. B.F.M. Evers, kantoorhoudende te Tilburg,
mr. P.H.J.G. van Huizen, kantoorhoudende te Rotterdam.
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
,waarbij de rechtbank, anders dan [appellante] meent, gelet op rechtsoverweging 4.2 (blz. 6 bovenaan) het oog had op gelijkblijvende risicopremies. De stelling van [appellante] dat Novus onvoldoende informatie heeft vergaard en verstrekt verwierp de rechtbank. De rechtbank volgde [appellante] evenmin in haar stelling dat het advies ondeugdelijk was en tot slot oordeelde de rechtbank dat uit de stellingen van [appellante] niet volgt dat zij schade heeft geleden of zal lijden als gevolg van het feit dat vóór de aanpassing van de verzekeringsovereenkomst tussen [appellante] en Aegon in 2004 de premies voor het nabestaandenpensioen ten laste kwamen van de beschikbare premies die werden aangewend voor een kapitaal bij leven op de pensioendatum, nu zij niet had gesteld dat zij uit dien hoofde vorderingen van haar werknemers tegemoet heeft gezien. Een en ander leidde tot afwijzing van de vorderingen van [appellante]. De grieven van [appellante] richten zich tegen deze beslissing van de rechtbank en de gronden waarop zij berust. De grieven van Novus richten zich tegen de inhoud van een tweetal rechtsoverwegingen.
€ 470.000,--) hoger ligt dan de premie die verschuldigd zou zijn geweest indien het nabestaandenpensioen op basis van eenjarige risicopremies zou zijn verzekerd. Door de bij aanvang hoge kosten van de gelijkblijvende risicopremies resteerde bovendien een lagere premie voor het ouderdomspensioen, waardoor over een lange tijd slechts over een beperkte premie rendement kon worden behaald, aldus nog steeds [appellante]. Novus heeft de stellingen van [appellante] betwist.
4.Beslissing
rol van 24 november 2009voor akte uitlating door [appellante], waarop door Novus zal kunnen worden gereageerd;