ECLI:NL:GHAMS:2009:BH6151
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing alleenstaande-ouderkorting wegens ontbreken duurzaam gescheiden leven
Belanghebbende was in 2004 gehuwd en stond met haar echtgenoot op hetzelfde adres ingeschreven. Zij vorderde uitbetaling van de heffingskorting voor de minst verdienende partner en de alleenstaande-ouderkorting. De inspecteur wees dit af omdat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 8.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en oordeelde dat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij in 2004 duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot. Belanghebbende voerde onder meer een verklaring van haar ex-echtgenoot aan, maar dit was onvoldoende om het tegendeel te bewijzen.
Het hof bevestigde het oordeel van de rechtbank. Het kaartje van de echtgenoot en de verklaring werden niet als voldoende bewijs gezien dat de echtelijke samenleving feitelijk was verbroken in 2004. Het hof concludeerde dat niet was voldaan aan het vereiste van meer dan zes maanden geen partner zijn in 2004, waardoor de heffingskorting terecht was geweigerd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; geen recht op alleenstaande-ouderkorting in 2004.