ECLI:NL:GHAMS:2009:BI3640
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- F.J.P.M. Haas
- A.M.J.G. van Amsterdam
- A.O. Lubbers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding vader firmanten ten laste van vof-winst niet aannemelijk
In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vraag centraal of een vennootschap onder firma (vof) de volledige vergoeding van ƒ198.732 aan de vader van de firmanten ten laste van de winst mocht brengen. De inspecteur accepteerde slechts ƒ75.000 als reële beloning voor arbeid. De vader had zijn bloembollenbedrijf beëindigd na gedwongen verkoop en was sindsdien werkzaam voor de vof zonder salaris, waarbij de vof zijn woonlasten betaalde.
Belanghebbende stelde dat de vergoeding ook een zakelijke vergoeding betrof voor overgedragen stille reserves en de gunstige aankoop van activa door de vof dankzij de inspanningen van de vader. Het hof oordeelde dat niet aannemelijk was dat de vader een juridisch afdwingbare aanspraak had op de hogere vergoeding of dat sprake was van een substantiële meerwaarde van de activa bij aankoop.
De curator en faillissementsverslagen bevestigden dat de vader geen inkomsten had en dat de bank een leidende rol had bij de verkoop van activa tegen marktconforme prijzen. Het hof verwierp het standpunt dat de vof de activa aanzienlijk onder de werkelijke waarde had verworven. Het hof achtte de ƒ75.000 als een redelijke vergoeding voor de werkzaamheden van de vader, gelet op zijn leeftijd en inzet.
Het hof wees het subsidiaire standpunt van rentevergoeding en willekeurige afschrijving af wegens onvoldoende onderbouwing. De uitspraak van de rechtbank Haarlem werd bevestigd en de kosten werden niet aan de zijde van belanghebbende toegewezen.
Uitkomst: De vergoeding van ƒ198.732 aan de vader van de firmanten wordt niet volledig ten laste van de vof-winst gebracht; alleen ƒ75.000 als beloning voor arbeid wordt geaccepteerd.