ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ8866
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- M.J. Leijdekker
- F.J.P.M. Haas
- A.M. van Amsterdam
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en boetebeschikking 2000 en 2001
Belanghebbende, een zelfstandig thuiszorgverlener, voerde hoger beroep tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en een boetebeschikking voor de jaren 2000 en 2001 opgelegd door de inspecteur. De kern van het geschil betrof de vraag of de door [Y] BV aan belanghebbende uitbetaalde bedragen reiskostenvergoedingen bevatten en of deze bedragen tot het belastbaar inkomen moesten worden gerekend.
Het Hof stelde vast dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de ontvangen bedragen reiskostenvergoedingen omvatten. Ondanks dat [Y] BV reiskosten in rekening bracht aan Woonzorgcentrum [A], volgde daaruit niet dat deze vergoedingen ook aan belanghebbende waren betaald. Belanghebbende had geen loonopgaven ontvangen en ontving betalingen op basis van doorgegeven uren en roosters.
Het Hof oordeelde dat het in het midden kon blijven of de inkomsten als winst uit onderneming, inkomsten uit arbeid of resultaat uit overige werkzaamheden moesten worden aangemerkt, aangezien de bedragen in alle gevallen gecorrigeerd moesten worden. Tevens werd geoordeeld dat de inspecteur vrij stond om de aanslag inkomstenbelasting direct aan belanghebbende op te leggen, ook indien sprake zou zijn van een dienstbetrekking.
Ten aanzien van de opgelegde boete werd bevestigd dat belanghebbende had moeten begrijpen dat zij de inkomsten diende aan te geven. De rechtbank had de boete terecht gematigd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof vond geen aanleiding voor verdere matiging en bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank.
De uitspraak werd gedaan door de vierde meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 24 september 2009.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de navorderingsaanslagen en boetebeschikking en verklaart het hoger beroep ongegrond.