ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ8876
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J. den Boer
- E.A.G. van der Ouderaa
- H.E. Kostense
- Rechtspraak.nl
Bevestiging heffingsrente berekening over dividenduitkering in voorlopige aanslag 2007
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2007 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, inclusief heffingsrente. De heffingsrente werd berekend vanaf 1 juli 2007, terwijl het dividend pas op 15 oktober 2007 werd ontvangen. Belanghebbende betwistte deze berekening en stelde dat het onredelijk was om rente te berekenen over een periode waarin hij geen rendement kon behalen.
De rechtbank Haarlem verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof Amsterdam deze uitspraak. Het hof erkende dat er sprake is van een economische onevenwichtigheid, maar benadrukte dat de berekening voortvloeit uit de duidelijke tekst van artikel 30f AWR, waaraan de inspecteur gebonden is.
Het hof oordeelde dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze regeling vanwege uitvoeringstechnische redenen en dat het niet aan de rechter is om deze keuze op billijkheid te toetsen. Ook is niet vastgesteld dat de regeling in strijd is met enige verdragsbepaling. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat de wetgever een ruime beoordelingsmarge heeft bij het onderscheiden van gevallen.
De kosten werden niet aan belanghebbende toegekend. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de heffingsrente terecht is berekend vanaf 1 juli 2007 en verklaart het hoger beroep ongegrond.