ECLI:NL:GHAMS:2009:BK3819

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.021.374-01 en 200.021.375-01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 sub b Fw.Art. 285 lid 1 onder e Fw.
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende goede trouw

X en Y, gehuwd en ondernemers, hebben een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens financiële problemen na de overdracht van hun eenmanszaak aan een derde, A. Zij stelden dat A moedwillig zijn administratieve plichten had verzaakt en dat zij zelf te goeder trouw waren bij het ontstaan van de schulden, waaronder een grote belastingschuld.

De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat X en Y onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij te goeder trouw waren en er onduidelijkheden bestonden over de schuld aan de Belastingdienst en de overdracht van het bedrijf. In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel. Het hof vond dat appellanten onvoldoende bewijs hadden geleverd voor hun stellingen en dat zij zelf verantwoordelijk waren voor de bedrijfsvoering en administratie.

Het hof oordeelde dat de toelating tot de schuldsaneringsregeling terecht was afgewezen. Tevens wees het hof het verzoek tot aanhouding van de procedure af, maar liet de mogelijkheid open voor een nieuw verzoek indien uit nader onderzoek zou blijken dat de schulden uitsluitend te wijten waren aan onrechtmatig handelen van A.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling af wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST van 4 augustus 2009 in de zaak met zaaknummers 200.021.374/01 en 200.021.375/01 van:
1. X,
2. Y,
beiden wonende te Hoofddorp,
APPELLANTEN,
advocaat: mr. M. Raaijmakers te Hoofddorp.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Appellanten – X en Y – zijn bij per fax op 24 december 2008 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de beslissing van de rechtbank Haarlem van 16 december 2008 met rekestnummers 150258 en 150259, waarbij het verzoek van X en Y tot van toepassing verklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen.
1.2. Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 21 juli 2009. Bij die behandeling zijn X en Y verschenen, bijgestaan door hun advocaat voornoemd.
2. De gronden van de beslissing
De rechtbank heeft het verzoek van X en Y om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling overeenkomstig artikel 288 lid 1 sub b van Pro de Faillissementswet (Fw.) afgewezen, daar - kort gezegd - X en Y onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden, waaronder een schuld aan de Belastingdienst, te goeder trouw zijn geweest. De rechtbank heeft overwogen dat er te veel onduidelijkheden bestaan omtrent de schuld aan de Belastingdienst en de overdracht van het bedrijf van X aan de heer A.
2.2. In hoger beroep is het volgende gebleken.
2.2.1. X en Y zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen. X heeft in de periode van april 2004 tot februari 2008 een eenmanszaak gehad, genaamd “E”. Y was eveneens werkzaam voor E. Op enig moment in 2007 of 2008 zijn de activiteit van E overgedragen aan V B.V. Door de FIOD is een onderzoek gedaan naar deze overdracht en naar mogelijke fraude. Voorts heeft X op 2 juni 2008 aangifte gedaan tegen de heer A, voorheen administrateur van E en directeur van V B.V. wegens bedreiging, verduistering en valsheid in geschrifte.
X werkt thans in loondienst.
2.2.2. De totale schuldenlast van X en Y bedroeg blijkens de verklaring ex artikel 285 lid 1 onder Pro e Fw. (oud) op 18 september 2008 € 52.015,90. In dit overzicht ontbreekt de schuld aan de Belastingdienst. Uit het vonnis waarvan beroep blijkt dat de schuld aan de Belastingdienst op 10 september 2008 € 678.452,- bedroeg. Volgens X en Y dient een bedrag van € 500.000,- in mindering worden gebracht op deze schuld. Een recent overzicht ontbreekt echter.
2.2.3. X en Y hebben het volgende aangevoerd.
Hun bedrijf kwam in moeilijkheden toen klanten niet op tijd betaalden. Zij hebben toen de heer A gevraagd hen te helpen met de administratie. Hij was hun adviseur en verzorgde ook de contacten met de Belastingdienst. De schulden aan de Belastingdienst zijn in de gewone bedrijfsvoering ontstaan, maar doordat A bij de overname van E een vies spel heeft gespeeld konden X en Y deze schulden niet meer voldoen. Met betrekking tot de overname hebben appellanten aangevoerd dat A het bedrijf om niet heeft overgenomen en bovendien alle debiteuren heeft meegenomen. Zij zijn van mening dat zij te goeder trouw waren bij het ontstaan van de schulden en dat het onbetaald laten van de schulden niet in hun risicosfeer ligt. De fiscus heeft na een onderzoek ook gesteld dat X en Y niet te kwader trouw waren. Appellanten hebben hiervan nog geen schriftelijke bevestiging. Voorts beschikken zij niet over de administratie van hun bedrijf en hebben zij een procedure tegen A aangespannen tot afgifte van de stukken. X en Y hebben aanhouding van de behandeling van de zaak verzocht teneinde ondermeer stukken betreffende hun administratie en stukken van de Belastingdienst over te leggen.
2.3. Bij de beoordeling van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling stelt het hof voorop dat de schuldenaar ingevolge (het per 1 januari 2008 in werking getreden) artikel 288 lid 1 sub b Fw Pro voldoende aannemelijk dient te maken dat hij/zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn/haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Naar het oordeel van het hof zijn X en Y daarin niet geslaagd. Het moge zo zijn dat – zoals X en Y stellen – A de administratie niet goed heeft gevoerd en zij nadeel hebben ondervonden bij de overdracht van hun bedrijf, zij blijven zelf verantwoordelijk voor de administratie en bedrijfsvoering van de eenmanszaak. Hun stelling dat A hen (al dan niet moedwillig) nadeel heeft berokkend, is niet met stukken onderbouwd en kan reeds daarom geen gewicht in de schaal leggen. Daarbij komt dat op grond van hetgeen X en Y ten aanzien van het ontstaan van de belastingschuld en de overdracht van het bedrijf hebben verklaard niet zonder meer aannemelijk is geworden dat zij ten aanzien van die schuld te goeder trouw zijn geweest. De conclusie luidt dat de toelating tot de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hen terecht is afgewezen. Er is onvoldoende van omstandigheden gebleken die een ander oordeel rechtvaardigen.
2.4. In het licht van het voorgaande acht het hof onvoldoende grond aanwezig om het verzoek tot aanhouding van de zaak te honoreren. Mocht uit de gerechtelijke procedures en na onderzoek van de Belastingdienst blijken dat het ontstaan en onbetaald laten van de schulden inderdaad enkel en alleen te wijten valt aan een normale bedrijfsvoering en aan onrechtmatig handelen van A, dan staat het appellanten vrij een nieuw verzoek tot toelating in te dienen.
2.5. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek van X en Y tot toelating tot de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 288 lid 1 onder Pro b te worden afgewezen. De beslissing waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
3. De beslissing
Het hof:
- bekrachtigt de beslissing waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.D.R.M. Boumans, C.A. Joustra en M.J.J. de Bontridder en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 4 augustus 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.