ECLI:NL:GHAMS:2009:BL5677
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoofdverblijf en aansprakelijkheid bij onderverhuur sociale woning
In deze civiele zaak stond centraal of [A] tijdens de onderverhuur van haar sociale woning haar hoofdverblijf daar had behouden. Het hof bevestigde het bewijsvermoeden uit het tussenarrest dat dit niet het geval was. Diverse getuigenverklaringen werden gewogen, waarbij de verklaring van de onafhankelijke buurvrouw [G] als betrouwbaar werd beschouwd en de verklaringen van partijgetuigen minder overtuigend.
De aanwezigheid van een kastenwand als scheiding in de woning werd erkend, maar het hof achtte aannemelijk dat deze was aangebracht voor de onder-onderverhuurrelatie tussen de onderhuurster en haar onderhuurder, niet voor [A]. Ook de onderhuurovereenkomst toonde aan dat de gehele woning aan de onderhuurster werd verhuurd.
Het hof concludeerde dat [A] niet meer haar hoofdverblijf in de woning had tijdens de onderverhuur en veroordeelde haar en [B] hoofdelijk tot betaling van €12.778,90 aan Ymere wegens de aan Ymere toegebrachte schade. Het hof vernietigde het bestreden vonnis voor dit onderdeel en bekrachtigde het verder, waarbij de proceskosten aan [A] en [B] werden opgelegd.
Uitkomst: Huurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €12.778,90 aan Ymere wegens het niet hebben van hoofdverblijf tijdens onderverhuur.