ECLI:NL:GHAMS:2010:BM0869
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging navordering omzetbelasting en douanewaarde na FIOD-onderzoek wegens onjuiste transactiewaarden
Belanghebbende heeft 121 aangiften ten invoer gedaan voor diverse computergerelateerde producten, waarbij facturen werden overgelegd met onjuiste en te lage transactiewaarden. Na een onderzoek door de FIOD bleek dat de aangegeven waarden niet overeenkwamen met de werkelijke transactiewaarden, wat leidde tot navordering van douanerechten en omzetbelasting.
Belanghebbende stelde dat de inspecteur de procedure van artikel 181bis van het Uitvoeringsverordening Communautair Douanewetboek (UCDW) niet had nageleefd en dat de verleggingsregeling van de Wet op de omzetbelasting 1968 van toepassing was. Het hof oordeelde dat ten tijde van de aangiften geen twijfel bestond over de transactiewaarden en dat de inspecteur pas na het FIOD-onderzoek tot navordering overging. De inspecteur had de transactiewaardemethode niet losgelaten, maar een juiste douanewaarde vastgesteld op basis van de werkelijke transacties.
Daarnaast was de verleggingsregeling niet van toepassing omdat de ondernemer aan wie de goederen waren bestemd niet de macht had om als eigenaar over de goederen te beschikken op het moment van invoer. Ook was er geen bijzondere situatie die terugbetaling van de omzetbelasting op grond van artikel 239 CDW Pro rechtvaardigde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de navordering van omzetbelasting en douanerechten.