ECLI:NL:GHAMS:2010:BM1088
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afwaardering vordering en valuta van vordering in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een vennootschap met 50% aandelen in [A] B.V., betwistte de aanslag vennootschapsbelasting over 2003 waarin de inspecteur een afwaardering van een vordering op haar aandeelhouder niet accepteerde. De vordering was ontstaan uit de verkoop van aandelen in [B] B.V. en de overdracht van een vordering van [A] B.V. op haar aandeelhouder [Y] aan belanghebbende.
De kern van het geschil betrof de vraag of de vordering in Amerikaanse dollars of in Nederlandse guldens luidde. Belanghebbende stelde dat de vordering in dollars luidde, mede omdat de aandelen van [D] Inc. genoteerd zijn aan de Nasdaq en de koopprijs in dollars was vastgesteld. De inspecteur stelde dat de vordering in guldens luidde, zoals blijkt uit de overeenkomst van verrekening van 1 mei 2001.
Het Hof oordeelde dat de overeenkomst van verrekening van 1 mei 2001 leidend is en dat daarin de vordering in guldens is vastgelegd. De administratieve verwerking en renteberekening bevestigen dit. De verwijzing naar de dollarkoers in de verkoopovereenkomst van 2 augustus 2000 was slechts indicatief en diende als referentieprijs, niet als valuta van de vordering.
Omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de vordering in dollars luidde, kon geen afwaardering wegens koersverlies worden toegepast. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de aanslag vennootschapsbelasting inclusief weigering afwaardering is bevestigd.