ECLI:NL:GHAMS:2010:BM1173
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek lijfrentepremies bij omzetting stakingswinst in direct ingaande lijfrente
Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen een aanslag inkomstenbelasting over 2003 waarbij de inspecteur slechts een beperkte aftrek van lijfrentepremies had toegestaan. De kern van het geschil betrof de vraag of sprake was van een direct ingaande lijfrente zoals bedoeld in artikel 3.129, tweede lid, onderdeel b, Wet inkomstenbelasting 2001.
De rechtbank had reeds geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de lijfrenteovereenkomst tijdig en correct was gesloten en betaald, zoals vereist in artikel 3.130 van de Wet. Het Gerechtshof bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de overeenkomst niet was gedateerd, er geen lijfrente-uitkeringen waren verantwoord in de aangiften 2003 en 2004, en de berekening van de lijfrentetermijnen pas in 2005 plaatsvond.
Ook de stelling van belanghebbende dat de inspecteur door het accepteren van een lagere aftrek een toezegging had gedaan over het recht op de maximale aftrek, wordt door het Hof verworpen. Daarnaast wordt de klacht over vermeende vooringenomenheid van de inspecteur niet gegrond verklaard.
Het Hof concludeert dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor aftrek van premies voor een direct ingaande lijfrente en verklaart het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, zonder toewijzing van kosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.