ECLI:NL:GHAMS:2010:BM3079
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over verleggingsregeling omzetbelasting bij privé woningbouw door vennoten
De zaak betreft een geschil over de heffing van omzetbelasting in verband met de bouw van een privéwoning door de vennoten van belanghebbende, een ondernemer in de bouwsector. De facturen van onderaannemers waren aan belanghebbende gericht, maar deze heeft de kosten niet doorgefactureerd aan de vennoten, maar geboekt op hun privé-grootboekrekeningen. Een deel van de facturen was onder de verleggingsregeling gebracht. De inspecteur stelde dat belanghebbende als eigenbouwer moest worden aangemerkt en de verlegde omzetbelasting verschuldigd was.
De rechtbank oordeelde dat de bouw van de woning niet in de normale uitoefening van het bedrijf van belanghebbende had plaatsgevonden en dat hij geen eigenbouwer was. Dit oordeel werd door het Hof bevestigd. De persoonlijke betrokkenheid van de vader, die de bouw in zijn vrije tijd leidde, maakte dat de bouw als privéactiviteit moest worden beschouwd. De inspecteur had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de bouw had uitgevoerd of dat er sprake was van handelen in strijd met de Wet OB 1968.
Als gevolg hiervan werd de naheffingsaanslag verminderd met € 12.235, de boete en heffingsrente werden overeenkomstig aangepast, en de inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten. Het incidenteel hoger beroep van belanghebbende werd gegrond verklaard, het hoger beroep van de inspecteur ongegrond.
Uitkomst: De naheffingsaanslag omzetbelasting wordt verminderd omdat belanghebbende niet als eigenbouwer wordt aangemerkt.