Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2010:BM7670

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/00166, 08/00755 en 08/00756
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 AWRArt. 8:1 AwbArt. 8:71 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen weigering ambtshalve vermindering belastingaanslagen

Belanghebbende verzocht de inspecteur om ambtshalve vermindering van de opgelegde aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2000, 2001 en 2002. De inspecteur weigerde dit verzoek bij brieven van 10 mei en 19 juni 2006. Belanghebbende zag deze weigering als een voor beroep vatbare beschikking en stelde beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank verklaarde de beroepen niet-ontvankelijk, maar het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat de rechtbank zich onbevoegd had moeten verklaren omdat de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een gesloten systeem van rechtsbescherming kent. Tegen een weigering tot ambtshalve vermindering staat geen beroep open bij de belastingrechter.

Het hof stelt dat in gevallen waarin aanslagen formele rechtskracht hebben verkregen, de belastingplichtige bij de burgerlijke rechter een vordering kan instellen tot ambtshalve vermindering. De rechtbank had dus niet de niet-ontvankelijkheid moeten uitspreken, maar de onbevoegdheid moeten vaststellen en aangeven dat uitsluitend de burgerlijke rechter bevoegd is.

Het hof vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank, verklaart de belastingrechter onbevoegd en gelast dat de inspecteur het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoedt. De uitspraak is gedaan door de belastingkamer van het hof op 3 juni 2010.

Uitkomst: De belastingrechter is onbevoegd verklaard en de rechtbankuitspraak vernietigd; alleen de burgerlijke rechter is bevoegd tot beoordeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken P08/00166, 08/00755, 08/00756
3 juni 2010
uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
X, te Y,
belanghebbende,
gemachtigde mr. J.M.M. Dekker
tegen de mondelinge uitspraak in de zaken met nummers 06/9168, 06/9169 en 06/9170 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Midden/kantoor Leiden,
de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft bij schrijven van 10 mei 2006 aan belanghebbende bericht dat niet zal worden tegemoet gekomen aan het verzoek van belanghebbende tot ambtshalve vermindering van de aan belanghebbende opgelegde aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna:IB/PVV) 2000, 2001 en 2002. In een schrijven van de inspecteur van 19 juni 2006 aan belanghebbende wordt deze beslissing herhaald.
Belanghebbende heeft de brief van 19 juni 2006 opgevat als voor beroep vatbare besluiten en hiertegen beroep ingesteld.
Bij mondelinge uitspraak van 21 januari 2008 heeft de rechtbank de door belanghebbende ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard.
Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 11 februari 2008. De inspecteur heeft ter zitting een verweerschrift overgelegd waarop belanghebbende heeft kunnen reageren.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2010. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Geschil in het hoger beroep
In geschil is of belanghebbende tegen de in de brief van 19 juni 2006 vervatte beslissing van de inspecteur niet over te gaan tot ambtshalve vermindering van de aanslagen beroep in kon stellen. Zo die vraag bevestigend wordt beantwoord is – naar het Hof begrijpt – de juistheid van de aanslagen in geding.
Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar hetgeen in de gedingstukken en in het proces-verbaal van de zitting is vermeld.
3. Beoordeling van het geschil in hoger beroep
3.1. Ingevolge artikel 26 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) kan, in afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de rechtbank worden ingesteld, indien het betreft:
a. een belastingaanslag, waaronder begrepen de in artikel 15 van Pro de AWR voorgeschreven verrekening, of
b. een voor bezwaar vatbare beschikking, waarmee de voldoening of afdracht op aangifte, dan wel de inhouding door een inhoudingsplichtige van een bedrag als belasting wordt gelijkgesteld.
3.2. De Awr kent derhalve een gesloten systeem van rechtsbescherming.
3.3. Een weigering door de inspecteur een aanslag ambtshalve te verminderen, wordt niet genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking. Tegen een dergelijke weigering staat noch op de voet van gemeld artikel 26 noch Pro op grond van enige andere wettelijke bepaling beroep op de rechter in belastingzaken open.
3.4. Gelet op vorenoverwoge staat geen beroep op de belastingrechter open tegen de in de brief van de inspecteur aan belanghebbende van 19 juni 2006 genomen beslissing. In deze brief wordt een eerdere beslissing (medegedeeld bij brief van 10 mei 2006) om niet over te gaan tot de door belanghebbende gevraagde ambtshalve vermindering van de aan belanghebbende opgelegde aanslagen, herhaald. De inspecteur heeft de beslissing derhalve terecht niet vervat in een uitspraak op bezwaar en de rechtbank heeft terecht geen oordeel gegeven over de juistheid van de onderhavige aanslagen.
3.5. In een geval als het onderhavige waarin aanslagen formele rechtskracht hebben verkregen kan de belastingplichtige bij de burgerlijke rechter vorderen dat de aanslagen ambtshalve worden verminderd. Dit brengt mee dat de rechtbank ten onrechte de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken; de rechtbank had zich onbevoegd moeten verklaren en in haar uitspraak moeten vermelden dat uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld (art. 8:71 Awb Pro).
3.6. Het Hof merkt daarbij op dat voor het aanvaarden van een verplichting tot ambtshalve vermindering niet kan worden volstaan met een – aan de burgerlijke rechter in beginsel ontrokken – beoordeling van de vraag wat de belastingrechter zou hebben beslist als deze een inhoudelijk oordeel over de juistheid van de aanslagen had kunnen geven. Van een dergelijke verplichting kan slechts sprake zijn als de inspecteur tot geen andere slotsom had kunnen komen dan dat de aanslagen onmiskenbaar onjuist waren (vgl, Hoge Raad, 8 juli 1993, nr. 15 028, NJ 1995/73).
De slotsom
De slotsom is dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd en de belastingrechter onbevoegd moet worden verklaard
Proceskosten
Nu de rechtbank terecht de inhoudelijke juistheid van de aanslagen niet heeft beoordeeld en de vernietiging van haar uitspraak slechts voortvloeit uit de omstandigheid dat zij aan het gegeven dat tegen een beslissing niet over te gaan tot ambtshalve vermindering ten onrechte de conclusie van niet-ontvankelijkheid heeft verbonden in plaats van de onbevoegdheid uit te spreken, acht het Hof onvoldoende termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
4. Beslissing in hoger beroep
Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart de belastingrechter onbevoegd;
- verstaat dat uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld;
- gelast dat de inspecteur aan belanghebbende het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 107 vergoedt.
De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter van de belastingkamer, F.J.P.M. Haas en A.M. van Amsterdam, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.J.E.M. Anderluh - Vanherck , als griffier. De beslissing is op 3 juni 2010 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.