ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9240
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen partiële ontbinding bij ontbreken vergunning ligplaats woonark
In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen [A] en [X] c.s. over het ontbreken van een vergunning voor de ligplaats van een woonark, hetgeen volgens [A] een toerekenbare tekortkoming van [X] c.s. inhoudt. [A] vordert onder meer partiële ontbinding van de koop- en erfpachtovereenkomst en schadevergoeding wegens waardevermindering en onverkoopbaarheid van de woonark.
Het hof stelt vast dat het ontbreken van de vergunning inderdaad een toerekenbare tekortkoming is van [X] c.s. over de periode van aankoop in 2000 tot het in werking treden van een nieuw bestemmingsplan in januari 2008. Echter, het hof oordeelt dat deze tekortkoming geen rechtvaardiging biedt voor partiële ontbinding omdat het woongenot niet feitelijk is aangetast en de tekortkoming tijdelijk was.
De vordering tot betaling van een boete op grond van de koopovereenkomst wordt afgewezen omdat de boeteclausule niet ziet op gebreken die pas later blijken. De schadevergoeding wegens waardevermindering wordt eveneens afgewezen wegens onvoldoende feitelijke onderbouwing.
Wel acht het hof het mogelijk dat [A] schade heeft geleden door de onverkoopbaarheid van de woonark in de periode 2004-2008. Daarom wordt een deskundigenbericht bevolen om te onderzoeken of het ontbreken van de vergunning de verkoop heeft verhinderd en of de vraagprijs redelijk was. Partijen krijgen gelegenheid zich hierover uit te laten en de zaak wordt aangehouden voor nadere beslissing.
Uitkomst: Geen partiële ontbinding, boete en waardevermindering afgewezen; deskundigenbericht bevolen over schade door onverkoopbaarheid woonark.