ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9458
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- G.B.C.M. van der Reep
- C.A. Joustra
- J.C.W. Rang
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt toepasselijkheid Nederlands recht op cessie in internationale staalhandel
In deze civiele zaak draait het om geschillen tussen een curator van een failliete Duitse staalhandelmaatschappij en een Nederlandse staalhandelaar over leveringen, vorderingen en de geldigheid van een cessie. De curator betwistte onder meer de toepasselijkheid van Nederlands recht op de cessie en voerde meerdere grieven aan tegen eerdere vonnissen van de rechtbank Utrecht.
Het hof overweegt dat op grond van het Verdrag van Rome (EVO) het toepasselijke recht voor de cessie moet worden bepaald aan de hand van het land waarmee de overeenkomst het nauwst verbonden is. Aangezien de partij die de karakteristieke prestatie moet verrichten en ook de debiteur van de vordering in Nederland gevestigd zijn, is het toepasselijke recht Nederlands recht. De curator heeft niet gemotiveerd betwist dat de cessie naar Nederlands recht ongeldig is vanwege het ontbreken van een akte.
Verder oordeelt het hof dat de curator onvoldoende bewijs heeft geleverd voor haar stelling dat de Duitse vennootschap [B0] een betalingsgarantie aan haar heeft gegeven. Ook de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van de Nederlandse partij wordt bevestigd, ondanks dat deze pas in de facturen in het Nederlands werden vermeld en niet expliciet aan de curator ter hand zijn gesteld.
De grieven van de curator falen derhalve en het hof bekrachtigt de bestreden vonnissen. De curator wordt veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vonnissen en veroordeelt de curator in de kosten van het principaal hoger beroep.