ECLI:NL:GHAMS:2010:BN0757
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen berisping gerechtsdeurwaarder wegens betalingsregeling en voortvarendheid
Klager diende een klacht in tegen de gerechtsdeurwaarder wegens onvoldoende voortvarendheid bij de executie van een kort gedingvonnis en het zonder toestemming accepteren van een betalingsregeling. De kamer voor gerechtsdeurwaarders oordeelde dat de gerechtsdeurwaarder zijn opdracht niet voortvarend had uitgevoerd en legde een berisping op.
In hoger beroep stelde de gerechtsdeurwaarder dat hij de opdracht correct had uitgevoerd en dat de ministerieplicht slechts binnen het arrondissement van vestiging geldt, waardoor hij een vervolgopdracht tot beslaglegging mocht weigeren. Het hof oordeelde dat het klachtonderdeel over voortvarendheid ongegrond was, maar het onderdeel over de betalingsregeling gegrond, omdat de gerechtsdeurwaarder zonder goedkeuring van klager een eenmalige machtiging had geaccepteerd.
Desondanks vond het hof, gelet op alle omstandigheden, geen reden om een maatregel op te leggen. De klacht werd voor het overige ongegrond verklaard en de beslissing van de kamer vernietigd. De gerechtsdeurwaarder mocht de vervolgopdracht weigeren en handelde niet in strijd met artikel 6 EVRM Pro of tuchtrechtelijke normen bij het gebruik van zijn retentierecht.
Uitkomst: Het hof verklaarde het klachtonderdeel over de betalingsregeling gegrond maar legde geen maatregel op en vernietigde de berisping.