ECLI:NL:GHAMS:2010:BN1448
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen veroordeling wegens niet-inschrijving leerplichtige jongere
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het niet naleven van de inschrijvingsplicht van haar leerplichtige zoon gedurende de periode van 24 oktober 2007 tot en met 5 oktober 2008. Hoewel zij kennisgevingen had ingediend waarin zij overwegende bedenkingen tegen het onderwijs op scholen binnen redelijke afstand verklaarde, oordeelde het hof dat deze verklaringen niet geldig waren omdat haar zoon in het voorafgaande schooljaar wel was ingeschreven.
Het hof benadrukte dat de Leerplichtwet 1969 geen mogelijkheid biedt om na het eerste leerplichtige schooljaar alsnog een geldige kennisgeving in te dienen om vrijstelling te verkrijgen. De wetgever heeft bewust gekozen voor een restrictieve toepassing van deze vrijstellingsmogelijkheid.
Daarnaast onderzocht het hof de verenigbaarheid van deze regeling met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), met name artikel 9 EVRM Pro en artikel 2 van Pro het Eerste Protocol. Het hof concludeerde dat de Nederlandse regeling niet onverenigbaar is met deze verdragsbepalingen, mede omdat de wet ook een reële mogelijkheid tot thuisonderwijs biedt.
De verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van €250, bij gebreke van betaling te vervangen door vijf dagen hechtenis. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en deed opnieuw recht, waarbij het bewezen verklaarde feit en de straf werden bevestigd.
Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €250, bij gebreke van betaling te vervangen door vijf dagen hechtenis wegens het niet inschrijven van haar leerplichtige zoon.