ECLI:NL:GHAMS:2010:BN2437
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging navorderingsaanslag wegens kasrondje bij film-CV’s en ontbreken onderneming
Belanghebbende was commanditair vennoot in film-CV’s 4 en 5, onderdeel van een serie van 40 CV’s opgericht voor filmproductie en exploitatie. De inspecteur legde een navorderingsaanslag op omdat bleek dat de ingelegde gelden slechts werden rondgepompt en de films niet door de CV’s zelf werden voortgebracht of geëxploiteerd. De rechtbank vernietigde de navorderingsaanslag, stellende dat het nieuwe feit niet los stond van eerder bekende feiten.
Het Hof oordeelt anders en stelt dat de ontdekking van de zogenaamde license agreements, waaruit bleek dat de CV’s slechts kasrondes draaiden en geen onderneming dreven, een nieuw feit is dat navordering rechtvaardigt. Dit feit was niet redelijkerwijs bekend bij de inspecteur ten tijde van de primitieve aanslagregeling. De fiscale faciliteiten zoals willekeurige afschrijving en investeringsaftrek waren onterecht toegekend.
Het Hof benadrukt dat de CV’s geen films in eigen onderneming voortbrachten, maar kant-en-klare films bestelden bij Amerikaanse productiemaatschappijen. De exploitatierechten lagen vrijwel direct bij de financierende partij [V], die tevens het risico droeg. De inspecteur heeft zorgvuldig overleg gevoerd en gehandeld binnen zijn bevoegdheden. Het beroep op algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel, faalt.
De navorderingsaanslag wordt bevestigd, waarmee het beroep van belanghebbende ongegrond wordt verklaard. De uitspraak onderstreept het belang van een nieuw feit voor navordering en de grenzen aan het vertrouwen in fiscale faciliteiten bij complexe investeringsconstructies.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de navorderingsaanslag wegens het nieuwe feit dat de film-CV’s geen onderneming dreven maar kasrondes uitvoerden.