ECLI:NL:GHAMS:2010:BN4095
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bewijskracht van ondertekende opdrachtbevestigingen in overeenkomst tot stand gekomen
In deze civiele zaak stond centraal of tussen appellant en geïntimeerde een overeenkomst was gesloten op basis van opdrachtbevestigingen die door appellant ondertekend zouden zijn. Geïntimeerde had twee opdrachtbevestigingen overgelegd, voorzien van handtekeningen die appellant betwistte.
Appellant voerde aan dat hij nooit contact had gehad met geïntimeerde, niet over een fax beschikte en dat de handtekeningen niet van hem waren. Het hof oordeelde dat de opdrachtbevestigingen als onderhandse akte dwingende bewijskracht hebben volgens artikel 157 lid 2 Rv Pro, tenzij de ondertekening stellig wordt ontkend.
Het hof stelde vast dat appellant niet met stelligheid ontkende de handtekeningen te hebben gezet. Zijn handtekeningen die hij ter vergelijking plaatste verschilden onderling zodanig dat ze geen overtuigend bewijs vormden. Daarnaast ontkende appellant niet dat hij de facturen en aanmaningen had ontvangen, wat wijst op erkenning van de overeenkomst.
Daarom concludeerde het hof dat de opdrachtbevestigingen dwingend bewijs leveren dat er een overeenkomst tot stand is gekomen. Het hof verwierp de grieven van appellant en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank, waarbij appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en oordeelt dat de opdrachtbevestigingen dwingend bewijs zijn voor het bestaan van de overeenkomst.