ECLI:NL:GHAMS:2010:BN4830
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale kwalificatie landgoed als eigen woning of beleggingsobject
Belanghebbende kocht in 1999 een landgoed in het buitenland en gaf dit op als beleggingsobject voor de inkomstenbelasting. De inspecteur kwalificeerde het echter als eigen woning, waardoor aftrek van kosten werd geweigerd. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het landgoed uitsluitend voor verhuur was bestemd en kende een huurwaardeforfait toe.
In hoger beroep bevestigde het Hof deze beoordeling. Het Hof stelde vast dat belanghebbende het landgoed mede voor eigen gebruik bestemde, onder meer door feitelijk verblijf en huurbetalingen aan de beheerder. De bemiddelingsovereenkomst sloot eigen gebruik niet uit. Daarnaast vond het Hof het ongeloofwaardig dat belanghebbende het landgoed louter als beleggingsobject had verworven gezien de omvangrijke investering.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel faalde omdat het Besluit van 1998 geen goedkeurend beleid bevatte en situaties van verhuur via bemiddelingsorganisatie en verhuurorganisatie wezenlijk verschilden. Ook de heffingsrente werd gehandhaafd omdat tijdig een voorlopige aanslag was opgelegd. Het Hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het landgoed wordt aangemerkt als eigen woning waardoor kosten niet aftrekbaar zijn.