ECLI:NL:GHAMS:2010:BN9262
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- S.F. Schütz
- A.M.A. Verscheure
- R.M. Beltzer
- Rechtspraak.nl
Redelijkheidstoets nieuwe vut-regeling faalt; instemming OR niet doorslaggevend
In deze civiele procedure staat de redelijkheid van een nieuwe vut-regeling van NLR centraal, die per 1 januari 2007 de oude vut-regeling verving vanwege fiscale wetswijzigingen. NLR had een overgangsregeling en compensatieregeling ingevoerd, maar een groep werknemers ([C] c.s.) betwistte de redelijkheid hiervan en stelde dat zij aanspraak konden maken op de oude regeling.
De kantonrechter wees de vorderingen van NLR af en verklaarde de werknemers niet-ontvankelijk in hun reconventionele eis. Het hof bevestigt dit oordeel, waarbij het van belang acht dat de nieuwe regeling kostenneutraal moet zijn ten opzichte van de oude regeling en dat NLR niet meer mag uitgeven dan de oude regeling zou hebben gekost. De instemming van de ondernemingsraad bij het overleg over de nieuwe regeling is niet doorslaggevend, omdat werknemers daaraan niet gebonden zijn.
Het hof stelt vast dat alternatieve overgangsregelingen voor werknemers geboren vóór 1950 mogelijk waren, bijvoorbeeld door een eenmalige ingangsdatum te bepalen, en dat NLR deze niet voldoende heeft onderbouwd. Ook de verdeling van middelen onder werknemers die na 1980 in dienst kwamen en de toepassing van de regeling op werknemers die na 2006 in dienst traden, zijn niet redelijk.
De conclusie is dat de nieuwe vut-regeling de redelijkheidstoets niet doorstaat en dat NLR terecht in de kosten van de procedure is veroordeeld. De kostenveroordeling ten gunste van een deel van de werknemers ([D] c.s.) wordt verhoogd vanwege het grote aantal procedures en gemachtigden. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis, behalve waar het de kostenveroordeling betreft.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de nieuwe vut-regeling niet redelijk is en veroordeelt NLR in verhoogde proceskosten ten gunste van een deel van de werknemers.