ECLI:NL:GHAMS:2010:BO0168
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- E.F. Faase
- E.A.G. van der Ouderaa
- J. den Boer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inhouding dividendbelasting niet in strijd met vrijheid van kapitaalverkeer
Belanghebbende, een Nederlandse vennootschap, heeft in 2005 dividendbelasting ingehouden en afgedragen over drie dividenduitkeringen aan haar enige aandeelhouder, gevestigd in Canada. De inspecteur wees het bezwaar tegen deze inhouding af en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Het hoger beroep bij het Hof betrof de vraag of de inhouding van dividendbelasting in strijd was met de vrijheid van kapitaalverkeer zoals bedoeld in artikel 56 EG Pro-Verdrag.
Het Hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank dat de aandeelhouder, vanwege haar beslissende invloed op belanghebbende, valt onder de vrijheid van vestiging (artikel 43 EG Pro) en niet onder het vrije kapitaalverkeer (artikel 56 EG Pro). Hierdoor is toetsing aan artikel 56 EG Pro niet aan de orde. Het Hof verwijst naar eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad en het Europese Hof van Justitie die deze uitleg ondersteunen.
Belanghebbende voerde aan dat in andere jurisdicties een andere uitleg wordt gehanteerd en dat prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie gesteld zouden moeten worden over de rangorde van de verdragsvrijheden. Het Hof acht dit niet nodig gezien de bestaande rechtspraak.
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 7 oktober 2010.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de inhouding van dividendbelasting wordt bevestigd.