ECLI:NL:GHAMS:2010:BO9115
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vorderingen en bewijslast bij beëindiging samenwerking reïntegratiebedrijf
Deze zaak betreft een geschil tussen [Appellant], voormalig bestuurder en opdrachtnemer van een stichting die reïntegratiewerkzaamheden verricht, en de stichting zelf. [Appellant] vorderde betaling van facturen voor werkzaamheden na beëindiging van hun samenwerking, vermeerderd met wettelijke rente en schadevergoeding wegens onrechtmatige daad. De stichting vorderde terugbetaling van een lening verminderd met reeds verrichte werkzaamheden.
De rechtbank had in eerste aanleg de vordering van [Appellant] deels toegewezen maar verrekende dit met de lening, waardoor hij per saldo niets kreeg. In hoger beroep werd onder meer betwist of een buiten rechte erkenning van schuld gelijkgesteld kon worden met een gerechtelijke erkentenis, en wie de bewijslast droeg voor de uren na beëindiging van de samenwerking.
Het hof oordeelde dat een buiten rechte erkenning niet gelijkstaat aan een gerechtelijke erkentenis en bevestigde dat de bewijslast voor de door [Appellant] gedeclareerde uren bij hem lag. Verder werd geoordeeld dat afspraken over vergoeding na beëindiging van de samenwerking niet automatisch voortvloeiden uit eerdere afspraken. De vordering wegens onrechtmatige daad werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Ten aanzien van de rente over het deel van de factuur dat niet direct verrekend kon worden, oordeelde het hof dat de stichting pas na mededeling van cessie op verrekening kon beroepen en dat wettelijke handelsrente verschuldigd was over de periode daarvoor. Het hof vernietigde het vonnis voor zover het een hoger bedrag toekende en veroordeelde [Appellant] tot betaling van €234,48 plus wettelijke rente aan de stichting, met een kostenveroordeling.
Uitkomst: Het hof veroordeelt [Appellant] tot betaling van €234,48 plus wettelijke rente aan de stichting en wijst overige vorderingen af.