ECLI:NL:GHAMS:2010:BO9118
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Betaling van verbeurde dwangsommen na cessie en uitleg kort geding vonnis
In deze zaak gaat het om een vordering tot betaling van dwangsommen die Heineken zou hebben verbeurd doordat zij niet volledig aan een kort geding vonnis heeft voldaan. Vinc Batenburg Onroerend Goed IV B.V. was eigenaar van een pand waar Heineken als huurder bedrijfsinventaris en installaties had. Na faillissement van de huurder kocht Heineken de inventaris en het huurdersbelang.
Bij vonnis in kort geding werd Heineken veroordeeld om haar bedrijfsinventaris en installaties uit het pand te verwijderen, onder dreiging van dwangsommen. Heineken verwijderde echter niet alle zaken, waardoor dwangsommen werden verbeurd. Brotherhood Holding B.V. trad op als cessionaris van de vordering van Vinc op Heineken.
Het hof oordeelde dat de cessie rechtsgeldig was en dat Brotherhood als rechthebbende in hoger beroep kon optreden. Het hof stelde vast dat Heineken niet aan het vonnis had voldaan omdat zij een kluis en twee barelementen had achtergelaten, die volgens het vonnis verwijderd moesten worden. Het beroep van Heineken op opschorting van betaling wegens onduidelijkheid over de cessie werd verworpen. Het hof vernietigde het bestreden vonnis en veroordeelde Heineken tot betaling van € 13.000 aan Brotherhood, vermeerderd met wettelijke rente en kosten.
Uitkomst: Heineken wordt veroordeeld tot betaling van € 13.000 aan Brotherhood wegens verbeurde dwangsommen.