ECLI:NL:GHAMS:2010:BT8432
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep effectenlease: vernietigingsoverwegingen en bewijslevering bekendheid echtgenote
In deze zaak gaat het om een effectenlease-overeenkomst die in maart 1998 is aangegaan tussen [afnemer] en een rechtsvoorganger van Dexia Bank Nederland N.V. De echtgenote van [afnemer] stelt dat zij niet op de hoogte was van de overeenkomst en dat haar toestemming, vereist volgens artikel 1:88 BW Pro, ontbrak. Zij heeft geprobeerd de overeenkomst buitenrechtelijk te vernietigen en vordert terugbetaling van de betaalde bedragen.
De kantonrechter wees de meeste vorderingen van [afnemer] en zijn echtgenote af en wees de vordering van Dexia tot betaling van de restschuld af. In hoger beroep betogen [afnemer] en zijn echtgenote dat de vernietigingsbevoegdheid van de echtgenote niet is verjaard, omdat zij pas in 2003 van de overeenkomst op de hoogte zou zijn geraakt. Dexia stelt dat de echtgenote al in 1998 bekend was met de overeenkomst, omdat betalingen vanaf een gezamenlijke bankrekening plaatsvonden waarvan zij mede rekeninghouder was.
Het hof overweegt dat de verjaringstermijn van drie jaar begint te lopen vanaf het moment dat de echtgenote met het bestaan van de overeenkomst bekend is geworden. Het is aan Dexia om dit te bewijzen. Het hof neemt voorlopig aan dat de echtgenote al in 1998 bekend was met de overeenkomst, maar staat [afnemer] en echtgenote toe tegenbewijs te leveren, onder meer door getuigenverhoor.
Daarnaast wijst het hof op relevante arresten van de Hoge Raad en het hof over effectenlease en de zorgplicht van Dexia, die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van schadevergoeding en restschuld. Partijen krijgen gelegenheid zich hierover schriftelijk uit te laten. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing na bewijslevering.
Uitkomst: Het hof staat partijen toe tegenbewijs te leveren over de bekendheid van de echtgenote met de lease-overeenkomst en houdt de zaak aan voor verdere beslissing.