ECLI:NL:GHAMS:2010:BY4606
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- M.F.J.N. van Osch
- P.L.R. Wefers Bettink
- J.G. Luiten
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep tegen deskundigenbenoeming DNA-onderzoek vaderschap
In deze zaak ging het om een hoger beroep van de man tegen een beschikking van de rechtbank Utrecht waarin een DNA-onderzoek was bevolen om het vaderschap vast te stellen. De moeder had een bijzondere curator laten benoemen en verzocht de rechtbank om het vaderschap van de man vast te stellen en een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind.
De rechtbank had een deskundige benoemd voor het DNA-onderzoek en de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van de uitkomst. De man was het niet eens met het bevel tot DNA-onderzoek en stelde dat deze beslissing appellabel was omdat het een ingrijpende inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer betrof.
Het hof oordeelde echter dat het bevel tot DNA-onderzoek een zuivere tussenbeschikking is, waartegen in principe geen hoger beroep openstaat tenzij de rechter anders beslist of verlof is verleend. Omdat de man geen verlof tot tussentijds beroep had gevraagd, verklaarde het hof hem niet-ontvankelijk in zijn beroep.
De moeder en de bijzondere curator hadden het beroep van de man bestreden en het hof volgde hun standpunt. De mondelinge behandeling vond plaats zonder dat de man zelf verscheen, maar zijn advocaat was aanwezig.
De beslissing van het hof bevestigt dat tussenbeschikkingen die geen einde maken aan het geding niet direct appellabel zijn, waardoor het hoger beroep in dit stadium niet ontvankelijk is verklaard.
Uitkomst: Het hof verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beschikking tot DNA-onderzoek.