ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ2311
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na afpersing door bedreiging met geweld
In deze zaak stond de ontnemingsvordering centraal na een veroordeling wegens afpersing door bedreiging met geweld. Het hof verwierp het beroep op niet-ontvankelijkheid en nietigheid van de vordering van het openbaar ministerie, ondanks enkele procedurele onjuistheden in de schriftelijke vordering. De vraag of de vorderingen aan de veroordeelde waren overgedragen en of hij gerechtigd was tot incasso, werd door het hof als irrelevant beschouwd voor de ontnemingsmaatregel.
Het hof stelde vast dat de veroordeelde door bedreiging met geweld meerdere slachtoffers heeft gedwongen tot afgifte van geldbedragen. Deze bedragen vormden het uitgangspunt voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, dat werd vastgesteld op €434.195,50. Verweren dat betalingen zouden zijn gedaan ter voldoening van rechtsgeldige vorderingen werden verworpen, evenals het verzoek om authenticiteitsonderzoek van dossierstukken.
De advocaatkosten en de waarde van in beslag genomen goederen werden niet in mindering gebracht op het voordeel. Het hof oordeelde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel onverminderd bestond, ook als de veroordeelde het geld namens een ander zou hebben geïncasseerd. De veroordeelde werd verplicht tot betaling van het volledige bedrag aan de Staat. Het arrest vernietigde het vonnis waarvan beroep en deed opnieuw recht conform deze overwegingen.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €434.195,50 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.