ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ3037
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- C.J. Laurentius-Kooter
- L.M. Croes
- J.J. Makkink
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over zorgplicht en schadevergoeding bij effectenleaseovereenkomsten Levob Hefboom Effect
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of Levob Bank N.V. haar bijzondere zorgplicht had geschonden bij het sluiten van tien effectenleaseovereenkomsten van het type "Het Levob Hefboom Effect" met een particuliere cliënt. De cliënt had een lening van in totaal €70.000,- afgesloten, waarbij aandelen in AEX-fondsen werden belegd en hij gedurende vijf jaar alleen rente betaalde, waarna de aandelen werden verkocht en de schuld werd verrekend. Na tussentijdse beëindiging ontstond een restschuld.
De rechtbank had Levob veroordeeld tot vergoeding van een deel van de schade, waaronder betaalde rente en restschuld, wegens het niet duidelijk waarschuwen voor het risico van restschuld en het niet adequaat onderzoeken van de financiële positie van de cliënt. Levob ging in hoger beroep en voerde onder meer aan dat de zorgplicht op de bemiddelaar rustte en dat de rente volledig voor rekening van de cliënt moest blijven.
Het hof verwierp deze grieven en bevestigde dat Levob als professionele dienstverlener een bijzondere zorgplicht heeft die niet door de bemiddelaar kan worden overgenomen zonder concrete feiten. Het hof paste een financiële toets toe op basis van de inkomens- en vermogenspositie van de cliënt en oordeelde dat de verplichtingen uit de overeenkomsten een onaanvaardbaar zware last vormden. Daarom had Levob de cliënt moeten ontraden de overeenkomsten aan te gaan. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank, corrigeerde de ingangsdatum van de wettelijke rente en veroordeelde Levob in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Levob Bank is veroordeeld tot vergoeding van 70% van de schade bestaande uit betaalde rente en restschuld, met wettelijke rente vanaf 24 juni 2004.