ECLI:NL:HR:2009:BH2811
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A. Hammerstein
- W.A.M. van Schendel
- C.A. Streefkerk
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid bank wegens schending zorgplicht bij effectenlease restschuldproduct
De zaak betreft een geschil over zes effectenlease-overeenkomsten van het type 'Het Levob Hefboomeffect' tussen [B] en Levob Bank N.V. [B] stelde dat hij door onjuiste en onvolledige informatie over het product en de risico's, waaronder het restschuldrisico, tot de overeenkomsten was gekomen en dat Levob haar bijzondere zorgplicht had geschonden. De rechtbank oordeelde dat Levob toerekenbaar tekort was geschoten en veroordeelde tot schadevergoeding.
Het hof vernietigde het vonnis deels en oordeelde dat Levob onvoldoende had gewaarschuwd voor het restschuldrisico en nalatig was in het onderzoeken van de inkomens- en vermogenspositie van [B]. Hierdoor was Levob aansprakelijk voor 60% van de schade, bestaande uit betaalde rente en een deel van de restschuld. Het hof wees het beroep van Levob af en verwierp het incidentele beroep van [B].
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat Levob een bijzondere zorgplicht had als professionele dienstverlener jegens een particuliere afnemer, waaronder een expliciete waarschuwingsplicht voor het restschuldrisico en een onderzoeksplicht naar de financiële draagkracht van de afnemer. De Hoge Raad verwerpt de klachten van Levob en [B], bevestigt de aansprakelijkheid en de schadeverdeling, en benadrukt dat de mededelingsplicht van Levob niet is geschonden in de zin van art. 6:228 BW Pro, maar dat de zorgplicht verder reikt dan de mededelingsplicht. De veroordeling in kosten wordt eveneens bevestigd.
Uitkomst: Levob is aansprakelijk voor 60% van de schade wegens schending van haar bijzondere zorgplicht bij effectenlease restschuldproduct.