ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ4996
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- P.L.R. Wefers Bettink
- M.F.J.N. van Osch
- W. Duitemeijer
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid civiele rechter bij invordering advocatendeclaratie bestuursrechtelijk geschil
In deze civiele zaak vordert appellante betaling van openstaande advocatendeclaraties voor werkzaamheden in een bestuursrechtelijk geschil. De kantonrechter verklaarde zich onbevoegd omdat volgens de Wet Tarieven Burgerlijke Zaken (WTBZ) de invordering van advocatendeclaraties via een begrotingsprocedure bij de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten moet verlopen, wat volgens de kantonrechter ook voor bestuursrechtelijke zaken geldt.
Appellante stelt in hoger beroep dat de WTBZ alleen van toepassing is op burgerrechtelijke zaken en niet op bestuursrechtelijke zaken, hetgeen het hof bevestigt. Het hof verwijst naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline en de tekst van de wet, die dateert uit 1848, toen het bestuursrecht nog niet tot ontwikkeling was gekomen.
Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en verklaart dat de civiele rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vordering tot betaling van de advocatendeclaraties. De zaak wordt terugverwezen naar de kantonrechter voor verdere behandeling en beslissing. De kosten van het hoger beroep worden gereserveerd voor de einduitspraak.
Uitkomst: De civiele rechter is bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot betaling van advocatendeclaraties in bestuursrechtelijke zaken; het vonnis van onbevoegdverklaring wordt vernietigd.