ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ7215
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2001 wegens vermeende kwade trouw afgewezen
Belanghebbende diende voor het jaar 2001 een aangifte inkomstenbelasting in waarbij een bedrag van € 1.235.935 werd vermeld als voordeel uit sparen en beleggen. De inspecteur legde daarop een navorderingsaanslag op wegens vermeende onvolledige aangifte en stelde dat belanghebbende te kwader trouw was. De rechtbank vernietigde de navorderingsaanslag en stelde dat de inspecteur niet voldoende had aangetoond dat sprake was van opzettelijk onjuiste of onvolledige informatie.
In hoger beroep bevestigde het hof deze uitspraak. Het hof overwoog dat de inspecteur niet expliciet had gewezen op het belang van het invullen van bepaalde vragen op het aangiftebiljet en dat belanghebbende in een bijlage een specificatie had gegeven die de opgegeven bedragen ondersteunde. De inspecteur kon niet aantonen dat belanghebbende bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat door zijn wijze van aangeven te weinig belasting zou worden geheven.
Het hof oordeelde dat er geen sprake was van kwade trouw in de zin van artikel 16 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De navordering werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Tevens werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en werd een griffierecht opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de inspecteur wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag vernietigd wegens ontbreken van kwade trouw.