ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8071

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
31 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.038.142/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake dwaling en toerekenbare tekortkoming bij optiecontract met gemeente

In deze zaak vordert Stout Beheer B.V. schadevergoeding van de gemeente Alblasserdam wegens onjuiste informatie die de gemeente zou hebben verstrekt over de voorwaarden voor het lichten van een optie op een kavel grond. Stout stelt dat de gemeente onterecht de indruk heeft gewekt dat een bouwvergunning vereist was voor het uitoefenen van de optie, en dat deze onjuiste indruk ook na ontvangst van een brief van Stout is blijven voortduren tot na het verstrijken van de termijn voor het lichten van de optie.

De Hoge Raad heeft het eerdere arrest vernietigd en de zaak verwezen naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling. Tijdens het hoger beroep heeft het hof overwogen dat de rechtsgronden van de vordering van Stout moeten worden aangevuld met een toerekenbare tekortkoming van de gemeente. Het hof heeft de gemeente daarom in de gelegenheid gesteld om hierop schriftelijk te reageren.

De rechtbank had eerder de vordering van Stout afgewezen. Het hof houdt de verdere beslissing aan en verwijst de zaak naar de rol voor het indienen van een akte door de gemeente. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2011.

Uitkomst: De zaak is aangehouden en de gemeente krijgt gelegenheid om schriftelijk te reageren op de aangevulde rechtsgronden.

Uitspraak

zaaknummer 200.038.142/01
31 mei 2011 (bij vervroeging)
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STOUT BEHEER B.V.,
gevestigd te Hardinxveld-Giessendam,
APPELLANTE,
advocaat: mr. B.J.H. Crans te Amsterdam,
t e g e n
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE ALBLASSERDAM,
zetelend te Alblasserdam,
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. A. van Hees te Amsterdam.
1. Het geding na cassatie en verwijzing
De partijen worden hierna Stout en de Gemeente genoemd.
Bij arrest van 11 juli 2008, C07/066HR, LJN BD2985, heeft de Hoge Raad het door het gerechtshof te 's-Gravenhage in dit geding gewezen en op 2 november 2006 uitgesproken arrest vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof. Voor het verloop van het geding tot 11 juli 2008 verwijst het hof naar het arrest van de Hoge Raad.
Stout heeft de Gemeente opgeroepen te verschijnen voor dit hof en een memorie na verwijzing genomen. De Gemeente heeft een antwoordmemorie na verwijzing genomen.
Op 19 mei 2011 hebben partijen de zaak doen bepleiten, Stout door mr. W.M. van den Pol, advocaat te Gorinchem, en de Gemeente door mr. H.A.H.W. Meijer, advocaat te Dordrecht. Zijdens Stout zijn daarbij pleitnotities overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd.
2. Beoordeling
2.1 In dit geding na cassatie en verwijzing kan worden uitgegaan van hetgeen is vermeld in de conclusie van Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade onder 2.1 tot en met 2.7, waarnaar de Hoge Raad heeft verwezen in rov. 3.1 van zijn arrest.
2.2 Stout heeft betaling gevorderd van € 164.694,99, met rente en kosten. De rechtbank heeft de vordering afgewezen.
2.3 Zoals de Hoge Raad onder rov. 3.4 van zijn arrest heeft overwogen, maakt Stout de Gemeente het verwijt dat deze haar op het verkeerde been heeft gezet door de onjuiste indruk te wekken dat voor het lichten van de optie de eis gold dat een bouwvergunning was verkregen en dat de Gemeente die onjuiste indruk ook na ontvangst van de brief van Stout van
11 mei 2000 heeft laten voortduren tot na het verstrijken van de termijn waarbinnen de optie moest worden uitgeoefend.
Stout heeft onder meer aangevoerd dat de Gemeente heeft gehandeld in strijd met hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.
Zoals de Hoge Raad onder rov. 3.2 heeft overwogen, is de vordering van Stout berekend als het verschil tussen de prijs van de kavel in het eerste optiecontract en de prijs die Stout ingevolge het tweede optiecontract voor de kavel heeft moeten betalen, vermeerderd met de optierente.
2.4 Bij gelegenheid van het pleidooi heeft het hof de vraag aan de orde gesteld of de rechtsgronden van de vordering van Stout aldus moeten worden aangevuld dat de Gemeente volgens Stout een uit het eerste optiecontract en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende verplichting had om de bedoelde onjuiste indruk niet te wekken en niet te laten voortduren tot na het verstrijken van de uitoefentermijn van de eerste optie, en dat de Gemeente toerekenbaar is tekortgeschoten in die contractuele verplichting, zodat zij uit dien hoofde verplicht is tot schadevergoeding, te begroten op het gevorderde bedrag. Stout heeft die vraag bevestigend beantwoord. Teneinde de Gemeente voldoende gelegenheid te bieden om adequaat te kunnen reageren op deze aanvulling van de rechtsgronden, en gelet op de opmerking van de advocaat van de Gemeente dat het lastig is om direct bij het pleidooi hierop te reageren, zal het Hof de Gemeente in de gelegenheid stellen zich bij akte hierover uit te laten. Nu deze uitlating reeds het karakter van een reactie heeft, zal in beginsel geen gelegenheid worden gegeven voor verder partijdebat.
3. Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 28 juni 2011 voor een akte aan de zijde van de Gemeente als bedoeld in rechtsoverweging 2.4;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, J.C. Toorman en W.J. Noordhuizen en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 31 mei 2011.