ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8981
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad in hoger beroep faillissementscuratoren tegen tussenkomstvordering
De curatoren van het faillissement van N.V. De Indonesische Overzeese Bank (Indover) zijn in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin hun vordering tot tussenkomst en schorsing van een procedure tussen Credit Europe Bank N.V. (CEB) en Bank Indonesia (BI) is afgewezen.
CEB vordert een verklaring voor recht dat BI onrechtmatig heeft gehandeld door Indover niet tijdig te voorzien van financiële middelen, waardoor CEB schade leed. De curatoren vorderen tussenkomst en schorsing van deze procedure totdat een andere procedure tussen BI en de curatoren definitief is afgerond, vanwege overlap in de grondslagen van de vorderingen.
De rechtbank wees de vorderingen van de curatoren af en verklaarde de hoofdzaak niet uitvoerbaar bij voorraad. De curatoren gingen in hoger beroep en vroegen het hof het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het hof overweegt dat het belang van de curatoren bij schorsing van de hoofdzaak zwaarder weegt dan het belang van CEB bij voortvarend doorprocederen. De incidentele vordering wordt afgewezen, de beslissing over de kosten aangehouden en de hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van grieven.
Uitkomst: De incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt afgewezen en de hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van grieven.