ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ9799

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.076.999-01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:213 BWArt. 10.5 Algemene Bepalingen voor Woonruimte Eigen Haard
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing ontbinding huurovereenkomst wegens vermeende overlast in seniorencomplex

Eigen Haard, verhuurder van een seniorenwoningcomplex bestemd voor personen van 65 jaar en ouder, vorderde ontbinding van de huurovereenkomst met [appellant] wegens vermeende overlast en niet-naleving van huuroverplichtingen. De overlast zou bestaan uit het rondlopen van [appellant] in een SM-kostuum met zwart masker, wat door mede-bewoners als bedreigend werd ervaren. Tevens werd gesteld dat [appellant] zijn woning onvoldoende zou hebben gemeubileerd en geweigerd zou hebben toegang te verlenen voor legionellapreventie.

De kantonrechter wees de vordering af nadat [appellant] had toegezegd zich te zullen onthouden van het dragen van het kostuum in het complex. De kantonrechter wees echter op mogelijke toewijzing van een toekomstige vordering bij herhaling en compenseerde de proceskosten.

In hoger beroep stelde het hof vast dat Eigen Haard onvoldoende specifiek bewijs had geleverd dat [appellant] daadwerkelijk het kostuum in het complex droeg. De verklaringen van bewoners waren vaag en die van de huismeester waren van horen zeggen. Hierdoor was het niet bewezen dat [appellant] zich niet als goed huurder gedroeg. Het hof vernietigde de proceskostencompensatie en veroordeelde Eigen Haard in de kosten van beide instanties, terwijl het vonnis van afwijzing van de ontbindingsvordering werd bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van de ontbindingsvordering en veroordeelt Eigen Haard in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonend te [woonplaats],
APPELLANT,
advocaat: mr. M.C. Jonkman te Amsterdam,
t e g e n
de stichting
WONINGSTICHTING EIGEN HAARD,
gevestigd te Amsterdam,
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Partijen worden hierna [appellant] en Eigen Haard genoemd.
1.2. Bij dagvaarding van 14 oktober 2010 is [appellant] in hoger beroep gekomen van vonnissen van de ¬rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, in deze zaak onder kenmerk CV 09-38330 gewezen tussen hem als gedaagde en Eigen Haard als eiseres, en uitgesproken op respectievelijk 17 maart 2010 en 14 juli 2010.
1.3. [appellant] heeft bij memorie vier grieven aangevoerd en toegelicht, producties overgelegd en bewijs aangeboden, met conclu¬sie als in die memorie vermeld.
1.4. Eigen Haard heeft bij memorie geantwoord en bescheiden in het geding gebracht, met conclusie als in die memorie vermeld.
1.5. Partijen hebben de zaak op 6 april 2011 doen bepleiten aan de hand van overgelegde notities, [appellant] door mr. Jonkman voornoemd en Eigen Haard door mr. I.E. Hofhuis, advocaat te Amsterdam.
1.6. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd op de stukken in beide instanties.
2. Grieven
Voor de grieven verwijst het hof naar de desbetreffende memorie.
3. Feiten
De kantonrechter heeft in het bestreden tussenvonnis van 17 maart 2010 onder rechtsoverweging B.1 een aantal feiten vastgesteld. Omtrent deze feitenvaststelling bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
4. Beoordeling
4.1. Eigen Haard is eigenaresse van het seniorenwoningcomplex aan de [adres]te [gemeente]. De woningen in het complex zijn bestemd voor de verhuur aan personen van 65 jaar en ouder. [appellant] huurt in dat complex een op nummer [nummer] gelegen woning – hierna: de woning. De huurovereenkomst is schriftelijk vastgelegd. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen voor Woonruimte van Eigen Haard van toepassing.
4.2. Eigen Haard heeft in eerste aanleg gevorderd, samengevat, de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, subsidiair de veroordeling van [appellant] tot het verlenen van medewerking aan de totstandkoming van een huurovereenkomst voor andere passende woonruimte in het kader van “een laatste kans”, alsmede veroordeling in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
4.3. Aan haar vordering heeft Eigen Haard ten grondslag gelegd, samengevat, dat [appellant] zich in strijd met artikel 7:213 BW Pro en artikel 10.5 van voormelde Algemene bepalingen voor Woonruimte niet als goed huurder gedraagt doordat hij overlast veroorzaakt. Die overlast bestaat erin dat [appellant] in het complex is gesignaleerd terwijl hij was gekleed in een “SM”-kostuum met een zwart masker op – hierna: het gewraakte kostuum. Mede-bewoners van het complex en de huismeester ervaren dit optreden als bedreigend. Verder heeft Eigen Haard gesteld dat [appellant] zijn woning niet behoorlijk bewoont door na te laten deze behoorlijk te meubileren en te stofferen. Voorts heeft Eigen Haard aangevoerd dat [appellant] heeft geweigerd toegang tot de woning te verlenen aan met toezicht en controle belasten personen van Eigen Haard, welke toegang tot doel heeft legionella preventief te bestrijden en de controle op technische en andere gebreken. Eigen Haard is van mening dat [appellant] gelet op zijn leeftijd niet in het complex thuis hoort. Eigen Haard heeft [appellant] een laatste kans geboden en in dat kader is zij bereid [appellant] alternatieve huisvesting aan te bieden, onder nader te bepalen voorwaarden.
4.4. De kantonrechter heeft na een comparitie van partijen [appellant] bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld schriftelijk te verklaren:
“dat hij zich er voortaan van zal onthouden in (de gangen van) het seniorencomplex rond te lopen, zich daarin op te houden dan wel publiekelijk in het seniorencomplex te vertonen, getooid in een SM-kostuum met zwart masker of gasmasker en/of getooid in een uitrusting die geëigend en geschikt is, althans er toe kan bijdragen om de medebewoners in het seniorencomplex angst aan te jagen.”
4.5. Bij akte heeft [appellant] te kennen gegeven bereid te zijn te verklaren zich niet in het seniorencomplex te zullen vertonen in het gewraakte kostuum. Aan die verklaring heeft [appellant] toegevoegd dat hij in het verleden het gewraakte kostuum ook nooit heeft gedragen.
4.6. De kantonrechter heeft overwogen, samengevat, dat uit de akte van [appellant] genoegzaam blijkt dat hij voornemens is zich te onthouden van het rondlopen in het gewraakte kostuum in het complex. De kantonrechter heeft [appellant] erop gewezen dat in een volgende procedure, die is gebaseerd op hetzelfde soort feitencomplex, een vordering van Eigen Haard tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde wel toewijsbaar zullen zijn. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen, met compensatie van kosten. Tegen dit oordeel en de gronden waar het op berust, is het hoger beroep gericht.
4.7.1. Grief I strekt ten betoge dat de kantonrechter in het tussenvonnis ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] het gewraakte kostuum in het seniorencomplex heeft gedragen en voorts dat aan [appellant] zonder toereikende grond de in rechtsoverweging 4.3 bedoelde verklaring is ontlokt.
4.7.2. [appellant] heeft ter toelichting op de eerste grief gesteld dat Eigen Haard haar stelling ten aanzien van rondlopen in het seniorencomplex in het gewraakte kostuum onvoldoende heeft onderbouwd. Verder heeft [appellant] zich erop beroepen dat zodanige stelling naar zijn aard moeilijk weerlegbaar is, maar dat hij onder de gegeven omstandigheden naar vermogen voldoende gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Onder deze omstandigheden stond het de kantonrechter niet vrij in het tussenvonnis ervan uit te gaan dat [appellant] het gewraakte kostuum in het seniorencomplex heeft gedragen, aldus [appellant].
4.7.3. Aan deze toelichting heeft [appellant] toegevoegd dat bij het in kracht van gewijsde laten gaan van de vonnissen waarvan beroep een tweede en eveneens ongegronde vordering van Eigen Haard tot ontbinding en ontruiming van de woning zonder meer zal worden toegewezen.
4.7.4. Eigen Haard heeft, voorzover van belang, aangevoerd dat [appellant] in eerste aanleg de beweringen aangaande de door het gewraakte kostuum veroorzaakte overlast niet heeft ontkend en voorts dat zij haar stellingen voldoende heeft onderbouwd met verklaringen van enkele bewoners en van de huismeester. In eerste aanleg heeft Eigen Haard gesteld dat [appellant] niet heeft voldaan aan hetgeen de kantonrechter in zijn tussenvonnis van 17 maart 2010 van hem heeft verlangd, doordat [appellant] slechts heeft aangegeven dat hij bereid is de gevraagde verklaring af te geven, maar hij heeft nagelaten zodanige verklaring af te geven.
4.7.5. Het hof overweegt dat de verklaringen, die Eigen Haard van mede-bewoners heeft overgelegd, weinig specifiek zijn aangaande de door het gewraakte kostuum veroorzaakte overlast. De verklaring van de huismeester over dit onderwerp is van horen zeggen. Tegenover het gemotiveerde verweer van [appellant] heeft Eigen Haard noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep, voldoende gespecificeerd bewijs aangeboden dat [appellant] in het gewraakte kostuum in het complex heeft rondgelopen. Voor verdere bewijslevering is om deze reden geen plaats. Anders dan de kantonrechter – voorshands en behoudens tegenbewijs - heeft overwogen, staat naar ’s hofs oordeel in rechte niet vast dat [appellant] het gewraakte kostuum in het complex metterdaad heeft gedragen. De beduchtheid van [appellant], dat de gestelde – en door hem betwiste - overlast in een eventuele volgende procedure tot ontbinding en ontruiming van de woning tegen hem zal worden gebruikt, is niet zonder grond. Gelet op het voor [appellant] grote belang bij bescherming van het recht op voortzetting van de huur van de woning, is de eerste grief terecht voorgedragen. Dit brengt mee dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat bij een eventuele volgende procedure, die is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex, de gevorderde ontbinding en ontruiming wel toewijsbaar zullen zijn.
4.8.1. Met het slagen van grief I is grief IV eveneens terecht voorgesteld. Deze grief strekt ten betoge dat de kantonrechter ten onrechte de proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd.
4.8.2. Ter toelichting op zijn vierde grief heeft [appellant] gesteld dat er geen grond was voor compensatie van de proceskosten, omdat de daartoe dragende overweging met de strekking dat [appellant] het gewraakte kostuum heeft gedragen feitelijk onjuist is.
4.8.3. Eigen Haard heeft gesteld dat de kantonrechter de vordering niet had moeten afwijzen. Eigen Haard heeft de stelling betrokken dat [appellant]s heeft erkend dat hij het gewraakte kostuum heeft gedragen en verder dat Eigen Haard is geslaagd in haar bewijs over [appellant]s gewraakte uitmonstering.
4.8.4. Zoals het hof hierboven in rechtsoverweging 4.7.5 heeft overwogen, staat de juistheid van Eigen Haards stelling aangaande [appellant]s gewraakte kostuum niet vast. Nu niet als vaststaand kon worden aangenomen dat [appellant] in het gewraakte kostuum in het seniorencomplex heeft rondgelopen, heeft Eigen Haard haar vorderingen tevergeefs ingesteld. Dit brengt mee dat zij in de proceskosten dient te worden veroordeeld. De in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling kan derhalve niet in stand blijven.
4.7.5. Met deze stand van zaken heeft [appellant] geen belang bij de behandeling van grief II en grief III.
4.9. De slotsom is dat het hoger beroep succes heeft. De grieven I en IV zijn terecht voorgesteld. Het dictum van het eindvonnis houdt geen beslissing ten nadele van [appellant] in
– afgezien van de proceskostenveroordeling – omdat de vorderingen van Eigen Haard zijn afgewezen. Dit brengt mee dat het hof de vonnissen waarvan beroep niet zal vernietigen, maar zal bekrachtigen op de hiervoor weergegeven gronden. De in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling zal het hof vernietigen, met veroordeling van Eigen Haard in de proceskosten op de wijze als hierna vermeld. Eigen Haard zal als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het hoger beroep dienen te dragen.
5. Beslissing
Het hof:
vernietigt het eindvonnis waarvan beroep voorzover daarbij de proceskosten tussen partijen zijn gecompenseerd en bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor het overige;
veroordeelt Eigen Haard in de kosten van het geding in beide instanties, aan de zijde van de [appellant] in eerste aanleg begroot op € 75,-- aan salaris van de advocaat en in hoger beroep op € 367,93 aan verschotten en op € 2.682,-- aan salaris van de advocaat;
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, J.W. Hoekzema en H.J.M. Boukema en is in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 17 mei 2011.
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonend te [woonplaats],
APPELLANT,
advocaat: mr. M.C. Jonkman te Amsterdam,
t e g e n
de stichting
WONINGSTICHTING EIGEN HAARD,
gevestigd te Amsterdam,
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Partijen worden hierna [appellant] en Eigen Haard genoemd.
1.2. Bij dagvaarding van 14 oktober 2010 is [appellant] in hoger beroep gekomen van vonnissen van de ¬rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, in deze zaak onder kenmerk CV 09-38330 gewezen tussen hem als gedaagde en Eigen Haard als eiseres, en uitgesproken op respectievelijk 17 maart 2010 en 14 juli 2010.
1.3. [appellant] heeft bij memorie vier grieven aangevoerd en toegelicht, producties overgelegd en bewijs aangeboden, met conclu¬sie als in die memorie vermeld.
1.4. Eigen Haard heeft bij memorie geantwoord en bescheiden in het geding gebracht, met conclusie als in die memorie vermeld.
1.5. Partijen hebben de zaak op 6 april 2011 doen bepleiten aan de hand van overgelegde notities, [appellant] door mr. Jonkman voornoemd en Eigen Haard door mr. I.E. Hofhuis, advocaat te Amsterdam.
1.6. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd op de stukken in beide instanties.
2. Grieven
Voor de grieven verwijst het hof naar de desbetreffende memorie.
3. Feiten
De kantonrechter heeft in het bestreden tussenvonnis van 17 maart 2010 onder rechtsoverweging B.1 een aantal feiten vastgesteld. Omtrent deze feitenvaststelling bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
4. Beoordeling
4.1. Eigen Haard is eigenaresse van het seniorenwoningcomplex aan de [adres]te [gemeente]. De woningen in het complex zijn bestemd voor de verhuur aan personen van 65 jaar en ouder. [appellant] huurt in dat complex een op nummer [nummer] gelegen woning – hierna: de woning. De huurovereenkomst is schriftelijk vastgelegd. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen voor Woonruimte van Eigen Haard van toepassing.
4.2. Eigen Haard heeft in eerste aanleg gevorderd, samengevat, de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, subsidiair de veroordeling van [appellant] tot het verlenen van medewerking aan de totstandkoming van een huurovereenkomst voor andere passende woonruimte in het kader van “een laatste kans”, alsmede veroordeling in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
4.3. Aan haar vordering heeft Eigen Haard ten grondslag gelegd, samengevat, dat [appellant] zich in strijd met artikel 7:213 BW Pro en artikel 10.5 van voormelde Algemene bepalingen voor Woonruimte niet als goed huurder gedraagt doordat hij overlast veroorzaakt. Die overlast bestaat erin dat [appellant] in het complex is gesignaleerd terwijl hij was gekleed in een “SM”-kostuum met een zwart masker op – hierna: het gewraakte kostuum. Mede-bewoners van het complex en de huismeester ervaren dit optreden als bedreigend. Verder heeft Eigen Haard gesteld dat [appellant] zijn woning niet behoorlijk bewoont door na te laten deze behoorlijk te meubileren en te stofferen. Voorts heeft Eigen Haard aangevoerd dat [appellant] heeft geweigerd toegang tot de woning te verlenen aan met toezicht en controle belasten personen van Eigen Haard, welke toegang tot doel heeft legionella preventief te bestrijden en de controle op technische en andere gebreken. Eigen Haard is van mening dat [appellant] gelet op zijn leeftijd niet in het complex thuis hoort. Eigen Haard heeft [appellant] een laatste kans geboden en in dat kader is zij bereid [appellant] alternatieve huisvesting aan te bieden, onder nader te bepalen voorwaarden.
4.4. De kantonrechter heeft na een comparitie van partijen [appellant] bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld schriftelijk te verklaren:
“dat hij zich er voortaan van zal onthouden in (de gangen van) het seniorencomplex rond te lopen, zich daarin op te houden dan wel publiekelijk in het seniorencomplex te vertonen, getooid in een SM-kostuum met zwart masker of gasmasker en/of getooid in een uitrusting die geëigend en geschikt is, althans er toe kan bijdragen om de medebewoners in het seniorencomplex angst aan te jagen.”
4.5. Bij akte heeft [appellant] te kennen gegeven bereid te zijn te verklaren zich niet in het seniorencomplex te zullen vertonen in het gewraakte kostuum. Aan die verklaring heeft [appellant] toegevoegd dat hij in het verleden het gewraakte kostuum ook nooit heeft gedragen.
4.6. De kantonrechter heeft overwogen, samengevat, dat uit de akte van [appellant] genoegzaam blijkt dat hij voornemens is zich te onthouden van het rondlopen in het gewraakte kostuum in het complex. De kantonrechter heeft [appellant] erop gewezen dat in een volgende procedure, die is gebaseerd op hetzelfde soort feitencomplex, een vordering van Eigen Haard tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde wel toewijsbaar zullen zijn. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen, met compensatie van kosten. Tegen dit oordeel en de gronden waar het op berust, is het hoger beroep gericht.
4.7.1. Grief I strekt ten betoge dat de kantonrechter in het tussenvonnis ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] het gewraakte kostuum in het seniorencomplex heeft gedragen en voorts dat aan [appellant] zonder toereikende grond de in rechtsoverweging 4.3 bedoelde verklaring is ontlokt.
4.7.2. [appellant] heeft ter toelichting op de eerste grief gesteld dat Eigen Haard haar stelling ten aanzien van rondlopen in het seniorencomplex in het gewraakte kostuum onvoldoende heeft onderbouwd. Verder heeft [appellant] zich erop beroepen dat zodanige stelling naar zijn aard moeilijk weerlegbaar is, maar dat hij onder de gegeven omstandigheden naar vermogen voldoende gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Onder deze omstandigheden stond het de kantonrechter niet vrij in het tussenvonnis ervan uit te gaan dat [appellant] het gewraakte kostuum in het seniorencomplex heeft gedragen, aldus [appellant].
4.7.3. Aan deze toelichting heeft [appellant] toegevoegd dat bij het in kracht van gewijsde laten gaan van de vonnissen waarvan beroep een tweede en eveneens ongegronde vordering van Eigen Haard tot ontbinding en ontruiming van de woning zonder meer zal worden toegewezen.
4.7.4. Eigen Haard heeft, voorzover van belang, aangevoerd dat [appellant] in eerste aanleg de beweringen aangaande de door het gewraakte kostuum veroorzaakte overlast niet heeft ontkend en voorts dat zij haar stellingen voldoende heeft onderbouwd met verklaringen van enkele bewoners en van de huismeester. In eerste aanleg heeft Eigen Haard gesteld dat [appellant] niet heeft voldaan aan hetgeen de kantonrechter in zijn tussenvonnis van 17 maart 2010 van hem heeft verlangd, doordat [appellant] slechts heeft aangegeven dat hij bereid is de gevraagde verklaring af te geven, maar hij heeft nagelaten zodanige verklaring af te geven.
4.7.5. Het hof overweegt dat de verklaringen, die Eigen Haard van mede-bewoners heeft overgelegd, weinig specifiek zijn aangaande de door het gewraakte kostuum veroorzaakte overlast. De verklaring van de huismeester over dit onderwerp is van horen zeggen. Tegenover het gemotiveerde verweer van [appellant] heeft Eigen Haard noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep, voldoende gespecificeerd bewijs aangeboden dat [appellant] in het gewraakte kostuum in het complex heeft rondgelopen. Voor verdere bewijslevering is om deze reden geen plaats. Anders dan de kantonrechter – voorshands en behoudens tegenbewijs - heeft overwogen, staat naar ’s hofs oordeel in rechte niet vast dat [appellant] het gewraakte kostuum in het complex metterdaad heeft gedragen. De beduchtheid van [appellant], dat de gestelde – en door hem betwiste - overlast in een eventuele volgende procedure tot ontbinding en ontruiming van de woning tegen hem zal worden gebruikt, is niet zonder grond. Gelet op het voor [appellant] grote belang bij bescherming van het recht op voortzetting van de huur van de woning, is de eerste grief terecht voorgedragen. Dit brengt mee dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat bij een eventuele volgende procedure, die is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex, de gevorderde ontbinding en ontruiming wel toewijsbaar zullen zijn.
4.8.1. Met het slagen van grief I is grief IV eveneens terecht voorgesteld. Deze grief strekt ten betoge dat de kantonrechter ten onrechte de proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd.
4.8.2. Ter toelichting op zijn vierde grief heeft [appellant] gesteld dat er geen grond was voor compensatie van de proceskosten, omdat de daartoe dragende overweging met de strekking dat [appellant] het gewraakte kostuum heeft gedragen feitelijk onjuist is.
4.8.3. Eigen Haard heeft gesteld dat de kantonrechter de vordering niet had moeten afwijzen. Eigen Haard heeft de stelling betrokken dat [appellant]s heeft erkend dat hij het gewraakte kostuum heeft gedragen en verder dat Eigen Haard is geslaagd in haar bewijs over [appellant]s gewraakte uitmonstering.
4.8.4. Zoals het hof hierboven in rechtsoverweging 4.7.5 heeft overwogen, staat de juistheid van Eigen Haards stelling aangaande [appellant]s gewraakte kostuum niet vast. Nu niet als vaststaand kon worden aangenomen dat [appellant] in het gewraakte kostuum in het seniorencomplex heeft rondgelopen, heeft Eigen Haard haar vorderingen tevergeefs ingesteld. Dit brengt mee dat zij in de proceskosten dient te worden veroordeeld. De in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling kan derhalve niet in stand blijven.
4.7.5. Met deze stand van zaken heeft [appellant] geen belang bij de behandeling van grief II en grief III.
4.9. De slotsom is dat het hoger beroep succes heeft. De grieven I en IV zijn terecht voorgesteld. Het dictum van het eindvonnis houdt geen beslissing ten nadele van [appellant] in
– afgezien van de proceskostenveroordeling – omdat de vorderingen van Eigen Haard zijn afgewezen. Dit brengt mee dat het hof de vonnissen waarvan beroep niet zal vernietigen, maar zal bekrachtigen op de hiervoor weergegeven gronden. De in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling zal het hof vernietigen, met veroordeling van Eigen Haard in de proceskosten op de wijze als hierna vermeld. Eigen Haard zal als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het hoger beroep dienen te dragen.
5. Beslissing
Het hof:
vernietigt het eindvonnis waarvan beroep voorzover daarbij de proceskosten tussen partijen zijn gecompenseerd en bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor het overige;
veroordeelt Eigen Haard in de kosten van het geding in beide instanties, aan de zijde van de [appellant] in eerste aanleg begroot op € 75,-- aan salaris van de advocaat en in hoger beroep op € 367,93 aan verschotten en op € 2.682,-- aan salaris van de advocaat;
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, J.W. Hoekzema en H.J.M. Boukema en is in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 17 mei 2011.
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonend te [woonplaats],
APPELLANT,
advocaat: mr. M.C. Jonkman te Amsterdam,
t e g e n
de stichting
WONINGSTICHTING EIGEN HAARD,
gevestigd te Amsterdam,
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Partijen worden hierna [appellant] en Eigen Haard genoemd.
1.2. Bij dagvaarding van 14 oktober 2010 is [appellant] in hoger beroep gekomen van vonnissen van de ¬rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, in deze zaak onder kenmerk CV 09-38330 gewezen tussen hem als gedaagde en Eigen Haard als eiseres, en uitgesproken op respectievelijk 17 maart 2010 en 14 juli 2010.
1.3. [appellant] heeft bij memorie vier grieven aangevoerd en toegelicht, producties overgelegd en bewijs aangeboden, met conclu¬sie als in die memorie vermeld.
1.4. Eigen Haard heeft bij memorie geantwoord en bescheiden in het geding gebracht, met conclusie als in die memorie vermeld.
1.5. Partijen hebben de zaak op 6 april 2011 doen bepleiten aan de hand van overgelegde notities, [appellant] door mr. Jonkman voornoemd en Eigen Haard door mr. I.E. Hofhuis, advocaat te Amsterdam.
1.6. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd op de stukken in beide instanties.
2. Grieven
Voor de grieven verwijst het hof naar de desbetreffende memorie.
3. Feiten
De kantonrechter heeft in het bestreden tussenvonnis van 17 maart 2010 onder rechtsoverweging B.1 een aantal feiten vastgesteld. Omtrent deze feitenvaststelling bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
4. Beoordeling
4.1. Eigen Haard is eigenaresse van het seniorenwoningcomplex aan de [adres]te [gemeente]. De woningen in het complex zijn bestemd voor de verhuur aan personen van 65 jaar en ouder. [appellant] huurt in dat complex een op nummer [nummer] gelegen woning – hierna: de woning. De huurovereenkomst is schriftelijk vastgelegd. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen voor Woonruimte van Eigen Haard van toepassing.
4.2. Eigen Haard heeft in eerste aanleg gevorderd, samengevat, de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, subsidiair de veroordeling van [appellant] tot het verlenen van medewerking aan de totstandkoming van een huurovereenkomst voor andere passende woonruimte in het kader van “een laatste kans”, alsmede veroordeling in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
4.3. Aan haar vordering heeft Eigen Haard ten grondslag gelegd, samengevat, dat [appellant] zich in strijd met artikel 7:213 BW Pro en artikel 10.5 van voormelde Algemene bepalingen voor Woonruimte niet als goed huurder gedraagt doordat hij overlast veroorzaakt. Die overlast bestaat erin dat [appellant] in het complex is gesignaleerd terwijl hij was gekleed in een “SM”-kostuum met een zwart masker op – hierna: het gewraakte kostuum. Mede-bewoners van het complex en de huismeester ervaren dit optreden als bedreigend. Verder heeft Eigen Haard gesteld dat [appellant] zijn woning niet behoorlijk bewoont door na te laten deze behoorlijk te meubileren en te stofferen. Voorts heeft Eigen Haard aangevoerd dat [appellant] heeft geweigerd toegang tot de woning te verlenen aan met toezicht en controle belasten personen van Eigen Haard, welke toegang tot doel heeft legionella preventief te bestrijden en de controle op technische en andere gebreken. Eigen Haard is van mening dat [appellant] gelet op zijn leeftijd niet in het complex thuis hoort. Eigen Haard heeft [appellant] een laatste kans geboden en in dat kader is zij bereid [appellant] alternatieve huisvesting aan te bieden, onder nader te bepalen voorwaarden.
4.4. De kantonrechter heeft na een comparitie van partijen [appellant] bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld schriftelijk te verklaren:
“dat hij zich er voortaan van zal onthouden in (de gangen van) het seniorencomplex rond te lopen, zich daarin op te houden dan wel publiekelijk in het seniorencomplex te vertonen, getooid in een SM-kostuum met zwart masker of gasmasker en/of getooid in een uitrusting die geëigend en geschikt is, althans er toe kan bijdragen om de medebewoners in het seniorencomplex angst aan te jagen.”
4.5. Bij akte heeft [appellant] te kennen gegeven bereid te zijn te verklaren zich niet in het seniorencomplex te zullen vertonen in het gewraakte kostuum. Aan die verklaring heeft [appellant] toegevoegd dat hij in het verleden het gewraakte kostuum ook nooit heeft gedragen.
4.6. De kantonrechter heeft overwogen, samengevat, dat uit de akte van [appellant] genoegzaam blijkt dat hij voornemens is zich te onthouden van het rondlopen in het gewraakte kostuum in het complex. De kantonrechter heeft [appellant] erop gewezen dat in een volgende procedure, die is gebaseerd op hetzelfde soort feitencomplex, een vordering van Eigen Haard tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde wel toewijsbaar zullen zijn. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen, met compensatie van kosten. Tegen dit oordeel en de gronden waar het op berust, is het hoger beroep gericht.
4.7.1. Grief I strekt ten betoge dat de kantonrechter in het tussenvonnis ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] het gewraakte kostuum in het seniorencomplex heeft gedragen en voorts dat aan [appellant] zonder toereikende grond de in rechtsoverweging 4.3 bedoelde verklaring is ontlokt.
4.7.2. [appellant] heeft ter toelichting op de eerste grief gesteld dat Eigen Haard haar stelling ten aanzien van rondlopen in het seniorencomplex in het gewraakte kostuum onvoldoende heeft onderbouwd. Verder heeft [appellant] zich erop beroepen dat zodanige stelling naar zijn aard moeilijk weerlegbaar is, maar dat hij onder de gegeven omstandigheden naar vermogen voldoende gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Onder deze omstandigheden stond het de kantonrechter niet vrij in het tussenvonnis ervan uit te gaan dat [appellant] het gewraakte kostuum in het seniorencomplex heeft gedragen, aldus [appellant].
4.7.3. Aan deze toelichting heeft [appellant] toegevoegd dat bij het in kracht van gewijsde laten gaan van de vonnissen waarvan beroep een tweede en eveneens ongegronde vordering van Eigen Haard tot ontbinding en ontruiming van de woning zonder meer zal worden toegewezen.
4.7.4. Eigen Haard heeft, voorzover van belang, aangevoerd dat [appellant] in eerste aanleg de beweringen aangaande de door het gewraakte kostuum veroorzaakte overlast niet heeft ontkend en voorts dat zij haar stellingen voldoende heeft onderbouwd met verklaringen van enkele bewoners en van de huismeester. In eerste aanleg heeft Eigen Haard gesteld dat [appellant] niet heeft voldaan aan hetgeen de kantonrechter in zijn tussenvonnis van 17 maart 2010 van hem heeft verlangd, doordat [appellant] slechts heeft aangegeven dat hij bereid is de gevraagde verklaring af te geven, maar hij heeft nagelaten zodanige verklaring af te geven.
4.7.5. Het hof overweegt dat de verklaringen, die Eigen Haard van mede-bewoners heeft overgelegd, weinig specifiek zijn aangaande de door het gewraakte kostuum veroorzaakte overlast. De verklaring van de huismeester over dit onderwerp is van horen zeggen. Tegenover het gemotiveerde verweer van [appellant] heeft Eigen Haard noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep, voldoende gespecificeerd bewijs aangeboden dat [appellant] in het gewraakte kostuum in het complex heeft rondgelopen. Voor verdere bewijslevering is om deze reden geen plaats. Anders dan de kantonrechter – voorshands en behoudens tegenbewijs - heeft overwogen, staat naar ’s hofs oordeel in rechte niet vast dat [appellant] het gewraakte kostuum in het complex metterdaad heeft gedragen. De beduchtheid van [appellant], dat de gestelde – en door hem betwiste - overlast in een eventuele volgende procedure tot ontbinding en ontruiming van de woning tegen hem zal worden gebruikt, is niet zonder grond. Gelet op het voor [appellant] grote belang bij bescherming van het recht op voortzetting van de huur van de woning, is de eerste grief terecht voorgedragen. Dit brengt mee dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat bij een eventuele volgende procedure, die is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex, de gevorderde ontbinding en ontruiming wel toewijsbaar zullen zijn.
4.8.1. Met het slagen van grief I is grief IV eveneens terecht voorgesteld. Deze grief strekt ten betoge dat de kantonrechter ten onrechte de proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd.
4.8.2. Ter toelichting op zijn vierde grief heeft [appellant] gesteld dat er geen grond was voor compensatie van de proceskosten, omdat de daartoe dragende overweging met de strekking dat [appellant] het gewraakte kostuum heeft gedragen feitelijk onjuist is.
4.8.3. Eigen Haard heeft gesteld dat de kantonrechter de vordering niet had moeten afwijzen. Eigen Haard heeft de stelling betrokken dat [appellant]s heeft erkend dat hij het gewraakte kostuum heeft gedragen en verder dat Eigen Haard is geslaagd in haar bewijs over [appellant]s gewraakte uitmonstering.
4.8.4. Zoals het hof hierboven in rechtsoverweging 4.7.5 heeft overwogen, staat de juistheid van Eigen Haards stelling aangaande [appellant]s gewraakte kostuum niet vast. Nu niet als vaststaand kon worden aangenomen dat [appellant] in het gewraakte kostuum in het seniorencomplex heeft rondgelopen, heeft Eigen Haard haar vorderingen tevergeefs ingesteld. Dit brengt mee dat zij in de proceskosten dient te worden veroordeeld. De in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling kan derhalve niet in stand blijven.
4.7.5. Met deze stand van zaken heeft [appellant] geen belang bij de behandeling van grief II en grief III.
4.9. De slotsom is dat het hoger beroep succes heeft. De grieven I en IV zijn terecht voorgesteld. Het dictum van het eindvonnis houdt geen beslissing ten nadele van [appellant] in
– afgezien van de proceskostenveroordeling – omdat de vorderingen van Eigen Haard zijn afgewezen. Dit brengt mee dat het hof de vonnissen waarvan beroep niet zal vernietigen, maar zal bekrachtigen op de hiervoor weergegeven gronden. De in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling zal het hof vernietigen, met veroordeling van Eigen Haard in de proceskosten op de wijze als hierna vermeld. Eigen Haard zal als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het hoger beroep dienen te dragen.
5. Beslissing
Het hof:
vernietigt het eindvonnis waarvan beroep voorzover daarbij de proceskosten tussen partijen zijn gecompenseerd en bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor het overige;
veroordeelt Eigen Haard in de kosten van het geding in beide instanties, aan de zijde van de [appellant] in eerste aanleg begroot op € 75,-- aan salaris van de advocaat en in hoger beroep op € 367,93 aan verschotten en op € 2.682,-- aan salaris van de advocaat;
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, J.W. Hoekzema en H.J.M. Boukema en is in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 17 mei 2011.
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonend te [woonplaats],
APPELLANT,
advocaat: mr. M.C. Jonkman te Amsterdam,
t e g e n
de stichting
WONINGSTICHTING EIGEN HAARD,
gevestigd te Amsterdam,
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Partijen worden hierna [appellant] en Eigen Haard genoemd.
1.2. Bij dagvaarding van 14 oktober 2010 is [appellant] in hoger beroep gekomen van vonnissen van de ¬rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, in deze zaak onder kenmerk CV 09-38330 gewezen tussen hem als gedaagde en Eigen Haard als eiseres, en uitgesproken op respectievelijk 17 maart 2010 en 14 juli 2010.
1.3. [appellant] heeft bij memorie vier grieven aangevoerd en toegelicht, producties overgelegd en bewijs aangeboden, met conclu¬sie als in die memorie vermeld.
1.4. Eigen Haard heeft bij memorie geantwoord en bescheiden in het geding gebracht, met conclusie als in die memorie vermeld.
1.5. Partijen hebben de zaak op 6 april 2011 doen bepleiten aan de hand van overgelegde notities, [appellant] door mr. Jonkman voornoemd en Eigen Haard door mr. I.E. Hofhuis, advocaat te Amsterdam.
1.6. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd op de stukken in beide instanties.
2. Grieven
Voor de grieven verwijst het hof naar de desbetreffende memorie.
3. Feiten
De kantonrechter heeft in het bestreden tussenvonnis van 17 maart 2010 onder rechtsoverweging B.1 een aantal feiten vastgesteld. Omtrent deze feitenvaststelling bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
4. Beoordeling
4.1. Eigen Haard is eigenaresse van het seniorenwoningcomplex aan de [adres]te [gemeente]. De woningen in het complex zijn bestemd voor de verhuur aan personen van 65 jaar en ouder. [appellant] huurt in dat complex een op nummer [nummer] gelegen woning – hierna: de woning. De huurovereenkomst is schriftelijk vastgelegd. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen voor Woonruimte van Eigen Haard van toepassing.
4.2. Eigen Haard heeft in eerste aanleg gevorderd, samengevat, de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, subsidiair de veroordeling van [appellant] tot het verlenen van medewerking aan de totstandkoming van een huurovereenkomst voor andere passende woonruimte in het kader van “een laatste kans”, alsmede veroordeling in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
4.3. Aan haar vordering heeft Eigen Haard ten grondslag gelegd, samengevat, dat [appellant] zich in strijd met artikel 7:213 BW Pro en artikel 10.5 van voormelde Algemene bepalingen voor Woonruimte niet als goed huurder gedraagt doordat hij overlast veroorzaakt. Die overlast bestaat erin dat [appellant] in het complex is gesignaleerd terwijl hij was gekleed in een “SM”-kostuum met een zwart masker op – hierna: het gewraakte kostuum. Mede-bewoners van het complex en de huismeester ervaren dit optreden als bedreigend. Verder heeft Eigen Haard gesteld dat [appellant] zijn woning niet behoorlijk bewoont door na te laten deze behoorlijk te meubileren en te stofferen. Voorts heeft Eigen Haard aangevoerd dat [appellant] heeft geweigerd toegang tot de woning te verlenen aan met toezicht en controle belasten personen van Eigen Haard, welke toegang tot doel heeft legionella preventief te bestrijden en de controle op technische en andere gebreken. Eigen Haard is van mening dat [appellant] gelet op zijn leeftijd niet in het complex thuis hoort. Eigen Haard heeft [appellant] een laatste kans geboden en in dat kader is zij bereid [appellant] alternatieve huisvesting aan te bieden, onder nader te bepalen voorwaarden.
4.4. De kantonrechter heeft na een comparitie van partijen [appellant] bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld schriftelijk te verklaren:
“dat hij zich er voortaan van zal onthouden in (de gangen van) het seniorencomplex rond te lopen, zich daarin op te houden dan wel publiekelijk in het seniorencomplex te vertonen, getooid in een SM-kostuum met zwart masker of gasmasker en/of getooid in een uitrusting die geëigend en geschikt is, althans er toe kan bijdragen om de medebewoners in het seniorencomplex angst aan te jagen.”
4.5. Bij akte heeft [appellant] te kennen gegeven bereid te zijn te verklaren zich niet in het seniorencomplex te zullen vertonen in het gewraakte kostuum. Aan die verklaring heeft [appellant] toegevoegd dat hij in het verleden het gewraakte kostuum ook nooit heeft gedragen.
4.6. De kantonrechter heeft overwogen, samengevat, dat uit de akte van [appellant] genoegzaam blijkt dat hij voornemens is zich te onthouden van het rondlopen in het gewraakte kostuum in het complex. De kantonrechter heeft [appellant] erop gewezen dat in een volgende procedure, die is gebaseerd op hetzelfde soort feitencomplex, een vordering van Eigen Haard tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde wel toewijsbaar zullen zijn. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen, met compensatie van kosten. Tegen dit oordeel en de gronden waar het op berust, is het hoger beroep gericht.
4.7.1. Grief I strekt ten betoge dat de kantonrechter in het tussenvonnis ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] het gewraakte kostuum in het seniorencomplex heeft gedragen en voorts dat aan [appellant] zonder toereikende grond de in rechtsoverweging 4.3 bedoelde verklaring is ontlokt.
4.7.2. [appellant] heeft ter toelichting op de eerste grief gesteld dat Eigen Haard haar stelling ten aanzien van rondlopen in het seniorencomplex in het gewraakte kostuum onvoldoende heeft onderbouwd. Verder heeft [appellant] zich erop beroepen dat zodanige stelling naar zijn aard moeilijk weerlegbaar is, maar dat hij onder de gegeven omstandigheden naar vermogen voldoende gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Onder deze omstandigheden stond het de kantonrechter niet vrij in het tussenvonnis ervan uit te gaan dat [appellant] het gewraakte kostuum in het seniorencomplex heeft gedragen, aldus [appellant].
4.7.3. Aan deze toelichting heeft [appellant] toegevoegd dat bij het in kracht van gewijsde laten gaan van de vonnissen waarvan beroep een tweede en eveneens ongegronde vordering van Eigen Haard tot ontbinding en ontruiming van de woning zonder meer zal worden toegewezen.
4.7.4. Eigen Haard heeft, voorzover van belang, aangevoerd dat [appellant] in eerste aanleg de beweringen aangaande de door het gewraakte kostuum veroorzaakte overlast niet heeft ontkend en voorts dat zij haar stellingen voldoende heeft onderbouwd met verklaringen van enkele bewoners en van de huismeester. In eerste aanleg heeft Eigen Haard gesteld dat [appellant] niet heeft voldaan aan hetgeen de kantonrechter in zijn tussenvonnis van 17 maart 2010 van hem heeft verlangd, doordat [appellant] slechts heeft aangegeven dat hij bereid is de gevraagde verklaring af te geven, maar hij heeft nagelaten zodanige verklaring af te geven.
4.7.5. Het hof overweegt dat de verklaringen, die Eigen Haard van mede-bewoners heeft overgelegd, weinig specifiek zijn aangaande de door het gewraakte kostuum veroorzaakte overlast. De verklaring van de huismeester over dit onderwerp is van horen zeggen. Tegenover het gemotiveerde verweer van [appellant] heeft Eigen Haard noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep, voldoende gespecificeerd bewijs aangeboden dat [appellant] in het gewraakte kostuum in het complex heeft rondgelopen. Voor verdere bewijslevering is om deze reden geen plaats. Anders dan de kantonrechter – voorshands en behoudens tegenbewijs - heeft overwogen, staat naar ’s hofs oordeel in rechte niet vast dat [appellant] het gewraakte kostuum in het complex metterdaad heeft gedragen. De beduchtheid van [appellant], dat de gestelde – en door hem betwiste - overlast in een eventuele volgende procedure tot ontbinding en ontruiming van de woning tegen hem zal worden gebruikt, is niet zonder grond. Gelet op het voor [appellant] grote belang bij bescherming van het recht op voortzetting van de huur van de woning, is de eerste grief terecht voorgedragen. Dit brengt mee dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat bij een eventuele volgende procedure, die is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex, de gevorderde ontbinding en ontruiming wel toewijsbaar zullen zijn.
4.8.1. Met het slagen van grief I is grief IV eveneens terecht voorgesteld. Deze grief strekt ten betoge dat de kantonrechter ten onrechte de proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd.
4.8.2. Ter toelichting op zijn vierde grief heeft [appellant] gesteld dat er geen grond was voor compensatie van de proceskosten, omdat de daartoe dragende overweging met de strekking dat [appellant] het gewraakte kostuum heeft gedragen feitelijk onjuist is.
4.8.3. Eigen Haard heeft gesteld dat de kantonrechter de vordering niet had moeten afwijzen. Eigen Haard heeft de stelling betrokken dat [appellant]s heeft erkend dat hij het gewraakte kostuum heeft gedragen en verder dat Eigen Haard is geslaagd in haar bewijs over [appellant]s gewraakte uitmonstering.
4.8.4. Zoals het hof hierboven in rechtsoverweging 4.7.5 heeft overwogen, staat de juistheid van Eigen Haards stelling aangaande [appellant]s gewraakte kostuum niet vast. Nu niet als vaststaand kon worden aangenomen dat [appellant] in het gewraakte kostuum in het seniorencomplex heeft rondgelopen, heeft Eigen Haard haar vorderingen tevergeefs ingesteld. Dit brengt mee dat zij in de proceskosten dient te worden veroordeeld. De in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling kan derhalve niet in stand blijven.
4.7.5. Met deze stand van zaken heeft [appellant] geen belang bij de behandeling van grief II en grief III.
4.9. De slotsom is dat het hoger beroep succes heeft. De grieven I en IV zijn terecht voorgesteld. Het dictum van het eindvonnis houdt geen beslissing ten nadele van [appellant] in
– afgezien van de proceskostenveroordeling – omdat de vorderingen van Eigen Haard zijn afgewezen. Dit brengt mee dat het hof de vonnissen waarvan beroep niet zal vernietigen, maar zal bekrachtigen op de hiervoor weergegeven gronden. De in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling zal het hof vernietigen, met veroordeling van Eigen Haard in de proceskosten op de wijze als hierna vermeld. Eigen Haard zal als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het hoger beroep dienen te dragen.
5. Beslissing
Het hof:
vernietigt het eindvonnis waarvan beroep voorzover daarbij de proceskosten tussen partijen zijn gecompenseerd en bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor het overige;
veroordeelt Eigen Haard in de kosten van het geding in beide instanties, aan de zijde van de [appellant] in eerste aanleg begroot op € 75,-- aan salaris van de advocaat en in hoger beroep op € 367,93 aan verschotten en op € 2.682,-- aan salaris van de advocaat;
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, J.W. Hoekzema en H.J.M. Boukema en is in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 17 mei 2011.