ECLI:NL:GHAMS:2011:BR1925
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- H.E. Kostense
- E.A.G. van der Ouderaa
- J. den Boer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging hogere waarde ondergrond bedrijfsgebouwen door verwachtingswaarde bestemmingswijziging
Belanghebbenden, exploitanten van een melkveebedrijf, staken hun onderneming per 31 december 2003 en maakten bezwaar tegen de door de inspecteur vastgestelde stakingswinst, die mede gebaseerd was op een hogere waarde in het economische verkeer (WEV) van de ondergrond van bedrijfsgebouwen dan de waarde bij agrarische bestemming (WEVAB).
De rechtbank had de aanslagen verminderd, maar de inspecteur stelde dat de WEV van de ondergrond aanzienlijk hoger was vanwege een redelijke verwachting van een bestemmingswijziging naar woonbestemming. Het Hof onderzocht of op het stakingstijdstip deze verwachtingswaarde bekend of redelijkerwijs bekend kon zijn.
Het Hof oordeelde dat hoewel het bestemmingsplan formeel pas in 2004 ter inzage lag, het gemeentelijk beleid en markttransacties rondom die tijd al wezen op een redelijke verwachting van toekomstige woonbestemming. Belanghebbenden konden niet aannemelijk maken dat zij geen kennis hadden van deze marktverwachtingen. De taxaties van de Belastingdienst en Klaver Makelaardij bevestigden deze hogere waarde.
Het Hof verwierp het betoog van belanghebbenden over sloopkosten van de paardenstal, omdat de taxatie uitging van de situatie per 31 december 2003 waarbij de stal bleef staan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Hof bevestigt dat de waarde van de ondergrond van de bedrijfsgebouwen op 31 december 2003 hoger was dan de agrarische waarde vanwege een redelijke verwachtingswaarde van toekomstige woonbestemming en wijst het hoger beroep af.