ECLI:NL:GHAMS:2011:BR5252
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring en heffingsrente berekening bij voorlopige aanslag inkomstenbelasting
Belanghebbende kreeg een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2008 opgelegd met heffingsrente. Na bezwaar handhaafde de inspecteur de heffingsrente. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk. Belanghebbende stelde hoger beroep in bij het gerechtshof.
Het hof stelde vast dat een brief van belanghebbende van 11 april 2009 als een tijdig beroepschrift had moeten worden doorgezonden door de inspecteur aan de rechtbank. Hierdoor was belanghebbende ontvankelijk in zijn beroep. Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en behandelde het hoger beroep zelf.
Het geschil betrof de berekening van heffingsrente over een periode vanaf 1 juli 2008, terwijl de uitkering pas op 24 november 2008 werd genoten. Het hof oordeelde dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze berekeningswijze, ondanks mogelijke nadelen, en dat de rechter deze keuze niet op billijkheid mag toetsen.
Het hof verklaarde het beroep ongegrond en gelastte de inspecteur het betaalde griffierecht te vergoeden. Tegen deze uitspraak kan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard voor ontvankelijkheid, maar inhoudelijk ongegrond; de heffingsrenteberekening is geoorloofd.