ECLI:NL:GHAMS:2011:BU8210
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige beschuldigingen over financiële malversaties binnen internationale dambond
In deze civiele zaak staat de afweging centraal tussen het recht op vrijheid van meningsuiting en de bescherming tegen onjuiste of lichtvaardige verdachtmakingen op internet. Appellant, vice-president van de FMJD, vordert dat de uitlatingen van geïntimeerde over vermeende financiële malversaties binnen de FMJD onrechtmatig worden verklaard en eist immateriële schadevergoeding.
De feiten betreffen beschuldigingen van geïntimeerde dat onder meer appellant betrokken zou zijn bij het verbergen van grote geldbedragen en illegale activiteiten binnen de FMJD. Deze uitlatingen werden gepubliceerd op de website van de FMJD en leidden tot reputatieschade voor appellant. Hoewel de ernst van de mogelijke misstanden serieus werd genomen, oordeelt het hof dat de uitlatingen onrechtmatig zijn omdat geïntimeide zijn vermoedens onvoldoende onderbouwde en alternatieve, minder schadelijke wegen had kunnen bewandelen.
Het hof bevestigt dat de verklaring van 31 augustus 2007, waarin de persoonlijke integriteit van appellant werd benadrukt, geen volledige rectificatie vormt. De immateriële schadevergoeding van €2.000,- die de rechtbank toekende, wordt door het hof als redelijk beoordeeld. Beide partijen worden veroordeeld in de proceskosten van hun respectieve beroepen, en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De uitlatingen van geïntimeerde zijn onrechtmatig jegens appellant en geïntimeerde is veroordeeld tot betaling van €2.000,- immateriële schadevergoeding.