ECLI:NL:GHAMS:2011:BV9285
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen naheffingsaanslag en boete motorrijtuigenbelasting wegens onterechte vrijstelling
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag en boete opgelegd wegens onterechte vrijstelling motorrijtuigenbelasting voor een personenauto die niet geheel voor taxivervoer was gebruikt. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank en het Gerechtshof te ’s-Gravenhage, vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam.
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de naheffingsaanslag en boete terecht moesten worden vernietigd omdat de aanslag niet correct was berekend volgens artikel 76 van Pro de Wet motorrijtuigenbelasting, mede omdat belanghebbende sinds 2 april 2001 geen houder meer was van de auto. Tevens werd vastgesteld dat de inspecteur de proceskosten van belanghebbende moest vergoeden.
De uitspraak benadrukt de noodzaak van een juiste omschrijving van het feit dat tot naheffing leidt, inclusief de periode waarop dit betrekking heeft, en bevestigt dat de naheffing moet worden berekend over vier aaneengesloten tijdvakken van drie maanden, met als laatste het tijdvak waarin het feit is geconstateerd.
De boete werd verminderd en de naheffingsaanslag vernietigd, waarbij het Gerechtshof de eerdere uitspraken van rechtbank en Hof te ’s-Gravenhage vernietigde. De inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De naheffingsaanslag en boetebeschikking worden vernietigd en de inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.