ECLI:NL:GHAMS:2011:BX7934

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
29 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.080.993-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 BW
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over terugvordering persoonsgebonden budget zonder betrokkenheid bewindvoerder

In deze zaak heeft Achmea Zorgkantoor hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Haarlem waarin een geschil speelde over de terugvordering van een persoonsgebonden budget (PGB). De PGB-bedragen waren rechtstreeks aan een firma, BenT, betaald die het beheer voerde over de financiën van de geïntimeerde. Van ongeveer de helft van het budget was geen verantwoording afgelegd.

De rechtbank had vastgesteld dat een bedrag van €3.487,18 niet verantwoord was en dat dit bedrag ten onrechte was ontvangen. Achmea vorderde terugbetaling van dit bedrag, maar de geïntimeerde had niet betaald. Vervolgens stelde de geïntimeerde dat Achmea niet ontvankelijk was in het hoger beroep omdat zij de bewindvoerder, die volgens haar onder artikel 1:431 BW Pro was benoemd en die al in eerste aanleg als gemachtigde optrad, niet als partij had betrokken.

Het hof besloot Achmea in de gelegenheid te stellen zich hierover schriftelijk uit te laten en stelde de verdere beslissing aan. Het arrest werd gewezen door de rolraadsheer namens het hof. De zaak betreft de vraag naar ontvankelijkheid van Achmea in hoger beroep en de juiste procespartijen bij terugvordering van een PGB onder bewind.

Uitkomst: Het hof heeft het hoger beroep aangehouden en Achmea de gelegenheid gegeven zich schriftelijk uit te laten over het betoog dat zij niet ontvankelijk is wegens het ontbreken van de bewindvoerder als procespartij.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
ACHMEA ZORGKANTOOR N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
APPELLANTE,
advocaat: mr. H. Post te Helmond,
t e g e n
[GEÏNTIMEERDE],
wonende te [woonplaats],
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. J.B. Biezen te Zaandam.
1.Het geding in hoger beroep
De partijen worden hierna (ook) Achmea en [geïntimeerde] genoemd.
Bij dagvaarding van 18 januari 2011 is Achmea in hoger beroep gekomen van het vonnis van de ¬rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Haarlem van 21 oktober 2010, in deze zaak onder zaak-/rolnum¬mer 460328/ CV EXPL 10-3898 gewezen tussen haar als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.
Bij memorie van grieven heeft Achmea drie grieven tegen het vonnis aangevoerd, producties in het geding gebracht en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, haar vordering zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.
Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden, een productie in het geding gebracht en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis zal bekrachtigen en Achmea zal veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het hoger beroep (waaronder de nakosten).
Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.
2. Feiten
2.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 1 tot en met 7, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aange¬merkt. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof van de aldus vastgestelde feiten zal uitgaan.
2.2 Het gaat in deze zaak om het volgende.
2.2.1. Per 26 mei 2006 heeft [geïntimeerde] een coachingsovereenkomst gesloten met BenT te Hillegom, een firma die onder meer het beheer ging voeren over haar financiën. Zij heeft BenT daartoe schriftelijk gemachtigd.
2.2.2. Op aanvraag, namens [geïntimeerde] door BenT verricht, heeft het Zorgkantoor bij beschikkingen van 12 februari 2007, nrs [nummer] en [nummer] aan haar een persoonsgebonden budget (PGB) toegekend en de in die beschikkingen genoemde bedragen aan [geïntimeerde] uitgekeerd. Het Zorgkantoor heeft deze bedragen rechtstreeks aan BenT betaald. BenT beheerde deze bedragen.
2.2.3. Ingevolge de beschikkingen diende [geïntimeerde] binnen zes weken na het einde van een voorschotperiode een formulier aan het Zorgkantoor te verstrekken waarin zij verantwoording aflegde over de besteding van het PGB. [geïntimeerde] heeft voor een bedrag van € 3.487,18 geen verantwoording afgelegd.
2.2.4. Op 26 mei 2008 heeft Achmea een beschikking subsidievaststelling PGB 2007 afgegeven, inhoudende dat van het vastgestelde budget van € 7.266,48 een bedrag van € 3.779,30 is verantwoord zodat € 3.487,18 te veel is ontvangen. Tegen deze beschikking, verstuurd aan Postbus 229, 2180 AE Hillegom, is geen bezwaar gemaakt.
2.2.5. Op 2 juni 2009 heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage het faillissement uitgesproken van BenT.
2.2.6. Het Zorgkantoor heeft [geïntimeerde] bij herhaling gesommeerd het toegekende budget ten belope van € 3.487,18 terug te betalen; [geïntimeerde] heeft geen betaling gedaan aan het Zorgkantoor.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid in het hoger beroep
3.1 [geïntimeerde] heeft betoogd dat Achmea niet ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de kantonrechter te Haarlem op 7 april 2010 de goederen van [geïntimeerde] ex artikel 1:431 BW Pro onder bewind gesteld heeft, met benoeming van de heer [X] tot bewindvoerder. De door Achmea ingestelde vordering heeft betrekking op de zaken die behartigd moeten worden door de bewindvoerder. Achmea was van het bewind en de persoon van de bewindvoerder op de hoogte, nu deze als gemachtigde van [geïntimeerde] verweer heeft gevoerd in de procedure in eerste aanleg. Achmea had de bewindvoerder daarom als procespartij in het geding moeten betrekken, doch heeft dat nagelaten, zodat zij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar hoger beroep.
3.2 Alvorens op dit onderdeel te beslissen zal het hof Achmea in de gelegenheid stellen zich daarover bij akte ter rolle uit te laten. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4. Beslissing
Het hof:
laat Achmea toe zich bij akte uit te laten over het in rechtsoverweging 3.1 verwoorde betoog van [geïntimeerde];
verwijst de zaak daartoe naar de rol van 27 december 2011;
iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.C. Meijer en J.C. Toorman en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 29 november 2011 door de rolraadsheer.