Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
recht van wederinkoopgesloten, (…).
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbenden vroegen teruggave van overdrachtsbelasting die zij in 2003 hadden betaald bij de verkoop van onroerende zaken, op grond van artikel 19 Wbr Pro, omdat zij meenden dat de toestand van vóór de verkrijging feitelijk en rechtens was hersteld door het recht van wederinkoop.
Het hof stelde vast dat de onroerende zaken in 2008 werden teruggeleverd tegen dezelfde koopprijs, maar dat deze bezwaard waren met hypotheken die er in 2003 niet waren. Dit verschil in feitelijke en juridische situatie betekent dat de toestand niet volledig was hersteld. Bovendien was de levering van korte duur en volgde direct een wederverkoop, waardoor geen feitelijk herstel van eigendom plaatsvond.
Belanghebbenden voerden ook het vertrouwensbeginsel aan, maar het hof verwierp dit omdat de situatie wezenlijk verschilde van andere gevallen waarin het wel werd gehonoreerd.
De naheffingsaanslagen overdrachtsbelasting opgelegd aan belanghebbenden waren terecht, omdat de transacties niet uitsluitend dienden om de termijn voor wederinkoop te verlengen maar ook om hypotheken te vestigen.
Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Haarlem.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat geen recht op teruggave van overdrachtsbelasting bestaat omdat de toestand van vóór de verkrijging niet feitelijk en rechtens is hersteld.