ECLI:NL:GHAMS:2012:4431

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 maart 2012
Publicatiedatum
21 oktober 2013
Zaaknummer
200.100.835
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 WGBZArt. 127a lid 2 RvArt. 127a lid 3 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake griffierechtbetaling en toepassing artikel 127a Rv

De gemeente Alkmaar is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar in een kort geding over een kaderovereenkomst betreffende een deel van de nalatenschap van Lucebert. De gemeente wilde het project stopzetten, maar werd geconfronteerd met een procedure waarbij griffierecht niet tijdig was voldaan.

De zaak werd aangehouden omdat het griffierecht aanvankelijk naar een verkeerde bankrekening was overgemaakt door appellante, maar dit werd spoedig gecorrigeerd. Het hof overwoog dat de sanctie van ontslag van instantie bij niet tijdige betaling van griffierecht een zware maatregel is die in dit geval onbillijk zou zijn.

Daarom liet het hof artikel 127a lid 2 Rv buiten toepassing en verwees de zaak naar de rol voor verdere behandeling. Dit arrest benadrukt het belang van een zorgvuldige toepassing van procesrechtelijke sancties, zeker wanneer sprake is van een vergissing die snel is hersteld en geen nadeel voor de wederpartij oplevert.

Uitkomst: Artikel 127a lid 2 Rv wordt buiten toepassing gelaten wegens onbillijkheid, waardoor ontslag van instantie wordt voorkomen.

Uitspraak

zaaknummer 200.100.835/01
20 maart 2012
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
ELFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE ALKMAAR,
zetelend te Alkmaar,
APPELLANTE,
advocaat:
mr. F.P.F. Nabbente Haarlem,
t e g e n
1. de stichting
[APPELLANT SUB 1],
gevestigd te [woonplaats],
2. de stichting
[APPELLANT SUB 2],
gevestigd te [woonplaats],
3. [ APPELLANT SUB 3],
wonende te [woonplaats],
4. [ APPELLANT SUB 4],
wonende te [woonplaats],
5. [ APPELLANT SUB 5],
wonende te [woonplaats],
6. [ APPELLANT SUB 6],
wonende te [woonplaats],
7. [ APPELLANT SUB 7],
wonende te [woonplaats],
8. [ APPELLANT SUB 8],
wonende te [woonplaats],
9. [ APPELLANT SUB 9],
wonende te [woonplaats],
10. de stichting
STICHTING YXIE,
gevestigd te Alkmaar,
GEÏNTIMEERDEN,
niet verschenen.

1.Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 10 januari 2012, hersteld bij herstel-exploot van 12 januari 2012 is appellante in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 15 december 2011, in deze zaak onder zaak-/rolnummer 133371 / KG ZA 11-414 gewezen tussen appellante als gedaagde en geïntimeerden als eisers. De zaak is ingeschreven op de rol van 24 januari 2012 van dit hof.
Op 21 februari 2012 heeft de roladministratie vastgesteld dat geen griffierecht van appellante was ontvangen. In verband daarmee is de zaak verwezen naar de rol van
28 februari 2012 om appellante in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over de toepassing van artikel 127a Rv.
Op 28 februari 2012 is het zijdens appellante betaalde griffierecht bijgeschreven op de rekening van het hof.
Op 28 februari 2012 heeft appellante een akte genomen.
Arrest is bepaald op heden.

2.Beoordeling

2.1
Artikel 3 lid 3 WGBZ Pro bepaalt dat eiser (in hoger beroep: appellant) het griffierecht is verschuldigd vanaf de eerste uitroeping van de zaak ter terechtzitting en dat eiser zorgt dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient. Artikel 127a lid 2 Rv bepaalt dat, indien eiser het griffierecht niet tijdig heeft voldaan, de rechter de gedaagde van de instantie ontslaat, met veroordeling van eiser in de kosten. Artikel 127a lid 3 Rv bepaalt dat de rechter artikel 127a lid 2 Rv geheel of ten dele buiten toepassing laat, indien hij van oordeel is dat de toepassing van die bepaling, gelet op het belang van betrokkene bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
2.2
De sinds 1 januari 2011 geldende regeling houdt een ingrijpende wijziging in ten opzichte van de vroegere regeling, doordat niet alleen het griffierecht vooraf moet worden voldaan, maar ook op het niet tijdig voldoen de naar verhouding strenge sanctie is gesteld van ontslag van instantie. Die sanctie leidt er immers in verband met de geldende beroepstermijnen in de praktijk toe dat reeds de niet tijdige betaling van het griffierecht praktisch steeds de weg naar de rechter in hoger beroep definitief afsnijdt omdat na een ontslag van instantie het beroep niet opnieuw kan worden ingesteld. Bovendien moet in aanmerking worden genomen dat deze zware sanctie niet, zoals de even zware sanctie op het niet in acht nemen van beroepstermijnen, de rechtszekerheid met betrekking tot de onherroepelijkheid van rechterlijke uitspraken dient, maar is bedoeld als prikkel tot naleving van voorschriften die vooral de strekking hebben het incassorisico van de Staat met betrekking tot het verschuldigde griffierecht te beperken.
2.3
Appellante heeft aangevoerd dat de betaling van het griffierecht op 1 februari 2012 per abuis is gedaan naar een andere bankrekening, namelijk van de rekening van het aan de zijde van appellante betrokken advocatenkantoor naar de rekening van appellante zelf. Zodra dit is ontdekt, is een spoedbetaling gedaan naar de juiste bankrekening.
2.4
De omstandigheden die appellante bij akte heeft aangevoerd, duiden erop dat een vergissing is gemaakt die bij ontdekking meteen is rechtgezet, zonder dat geïntimeerden daardoor nadeel hebben ondervonden. Daarom zou toepassing van artikel 127a lid 2 Rv een onbillijkheid van overwegende aard opleveren. Het hof zal deze bepaling daarom buiten toepassing laten.

3.Beslissing

Het hof:
laat artikel 127a lid 2 Rv buiten toepassing;
verwijst de zaak naar de rol van 17 april 2012 voor memorie van grieven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los,
W.J. Noordhuizen en G.C.C. Lewin en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 20 maart 2012.