Uitspraak
mr. J.G.W. Bors, advocaat te Utrecht
mr. P.J.B. Koetsier,advocaat te Amsterdam.
Het geding in hoger beroep
De stukken van het geding
De ontvankelijkheid van klager in zijn hoger beroep
De feiten
De standpunten van partijen
De beoordeling
De beslissing
- klaagschrift met bijlagen van 21 april 2010;
- beslissing van de voorzitter van 29 april 2010;
- beslissing van de kamer van 14 september 2010;
- verweerschrift met bijlagen van 29 september 2010;
- repliek met bijlage van 25 november 2010;
- dupliek met bijlage van 19 januari 2011.
1.De feiten
2.De klacht
3.Het verweer
4.De beoordeling
- Hetzelfde geldt voor punt 8 van de verklaring. In dit punt verklaart de notaris over de inspraak die partijen hebben gehad over het verloop van de procedure. Dat de geschilpunten vaststonden levert, anders dan klager meent, geen schriftelijke agenda voor de procedure op.
- Klager en de notaris verschillen eveneens van mening over de vraag of alle geschilpunten zijn besproken. De notaris meent van wel, klager vindt dat zijn standpunten onvoldoende aan bod zijn gekomen. Het feit dat de notaris daar anders over denkt, betekent niet dat hij daarover onwaarheid spreekt. Ook op dit punt (9) heeft de notaris geen onwaarheid gesproken.
- Het feit dat de notaris vele stukken uit het procesdossier in zijn kast heeft liggen (en misschien wel het hele dossier) hoeft nog niet te betekenen dat hij zich daarin ook verdiept heeft (zoals hij dan ook verklaart in punt 10), zodat de kamer ook daarin geen leugen ziet.
- In zijn reactie op punt 11 van de verklaring van de notaris verwijt klager de notaris bepaalde zaken die de notaris zou hebben nagelaten. Klager beroept zich op bepaalde feiten, waarover de notaris echter niets heeft verklaard, zodat ook op dit punt geen sprake is van een leugenachtige verklaring.
- Naar de mening van klager heeft de notaris zijn beslissing niet deugdelijk gemotiveerd. Dat wil echter niet wil zeggen dat als de notaris daar (in punt 12) anders over denkt, hij niet de waarheid zou hebben gesproken.
- De notaris heeft (in punt 13) bedoeld het bindend adviseurschap te aanvaarden, onder de voorwaarde dat zowel klager als zijn ex-partner het eens zouden zijn met zijn optreden als zodanig. Daarin had de notaris wellicht duidelijker moeten zijn naar partijen, maar het betekent niet dat hij daarover onwaarheid spreekt.
- In punt 14 verklaart de notaris niet zeker te weten of hij in een bepaalde periode inhoudelijke stukken heeft ontvangen, hetgeen niet als een onwaarheid kan worden aangemerkt.
- In zijn reactie op punt 15 wordt door klager geen leugen gesteld.
- De reactie van klager op punt 16 van de verklaring betreft een inhoudelijk bezwaar tegen de beslissing van de bindend adviseur. De notaris beschrijft wat hij zelf heeft waargenomen. Bij de overschrijving van de gelden was hij niet aanwezig. Dat betreft geen leugen.
- verklaart het klachtonderdeel hiervoor genoemd onder nummer 2.1 gegrond;
- legt de notaris een waarschuwing op;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.