ECLI:NL:GHAMS:2012:BV3002
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake voorlopige aanslag inkomstenbelasting en toepassing omkering bewijslast
Belanghebbende werd geconfronteerd met een voorlopige aanslag inkomstenbelasting over 2004 van €182.310, gebaseerd op een vermoedelijk hoger inkomen dan door hem opgegeven. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank die de aanslag verminderde, stelde de inspecteur hoger beroep in. Het Hof stelde vast dat belanghebbende aanzienlijke uitgaven had gedaan, waaronder de aanschaf van een gepantserde Volkswagen Passat met een security-pakket, reizen naar het buitenland en contante stortingen op rekeningen.
Belanghebbende gaf geen overtuigend inzicht in de financiering van deze uitgaven, ondanks zijn lage opgegeven inkomen. Het Hof achtte het aannemelijk dat hij over een bron van inkomen beschikte die aanzienlijk hoger was dan de aangifte vermeldde. De bewijslast werd omgekeerd en verzwaard op grond van artikel 27e AWR, omdat de vereiste aangifte niet was gedaan.
Het Hof concludeerde dat de voorlopige aanslag niet onredelijk of willekeurig was en dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd om het tegendeel aan te tonen. Daarom werd het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de voorlopige aanslag gehandhaafd. Het Hof liet de mogelijkheid open om tegen de definitieve aanslag bezwaar te maken.
Uitkomst: Het Hof verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond en handhaaft de voorlopige aanslag van €182.310.