ECLI:NL:GHAMS:2012:BV4292
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling huur zolderberging en kwalificatie huurovereenkomst als woonruimte of bedrijfsruimte
In deze zaak stond centraal of de zolderberging die door geïntimeerde sub 1 werd gebruikt onderdeel uitmaakte van de huurovereenkomst met appellante en of de huurovereenkomst moest worden gekwalificeerd als woonruimte of bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW.
De feiten waren dat geïntimeerde sub 1 sinds 1983 een pand huurde dat bestemd was als winkel/woonhuis, waarbij hij de zolderberging in gebruik had. Appellante, sinds 2009 eigenaresse, betwistte dat de zolderberging was verhuurd en wilde de toegang daartoe ontzeggen. De kantonrechter had de vorderingen van geïntimeerden toegewezen en appellante veroordeeld in de kosten.
Het hof oordeelde dat de zolderberging wel degelijk deel uitmaakte van het gehuurde, mede gelet op verklaringen van betrokkenen, het langdurige gebruik zonder tegenwerking en het ontbreken van voldoende gemotiveerd tegenbewijs van appellante. Verder kwalificeerde het hof de huurovereenkomst als woonruimte, omdat het gehuurde overwegend voor bewoning werd gebruikt, hetgeen bleek uit de indeling, huurverhogingen volgens woonruimtecriteria en het ontbreken van bewijs dat partijen overwegend bedrijfsruimte voor ogen hadden.
Het hoger beroep van appellante werd verworpen en het bestreden vonnis bekrachtigd. Appellante werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de zolderberging onderdeel is van het gehuurde en kwalificeert de huurovereenkomst als woonruimte, waarbij het hoger beroep van appellante wordt verworpen.