ECLI:NL:GHAMS:2012:BW1496
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.M.J.G. van Amsterdam
- J. den Boer
- E.F. Faase
- Rechtspraak.nl
Vrijval dividendbelastingschuld leidt tot belastbare vermogensvermeerdering
De inspecteur legde aan belanghebbende een aanslag vennootschapsbelasting op waarbij een vrijgevallen dividendbelastingschuld werd toegevoegd aan de belastbare winst. De rechtbank Haarlem verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en verlaagde de aanslag. De inspecteur ging hiertegen in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam.
Het geschil betrof de vraag of het vrijvallen van een dividendbelastingschuld een belastbare vermogensvermeerdering oplevert. Belanghebbende stelde dat dividenduitkeringen en de daarmee samenhangende dividendbelasting onlosmakelijk verbonden zijn en dat de vrijval van de dividendbelastingschuld geen belastbare bijtelling kon zijn. De inspecteur betoogde dat de vrijval een vermogenstoename is die tot de winst moet worden gerekend.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 2, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 de vermogensvermeerdering door het vrijvallen van de dividendbelastingschuld in beginsel tot de winst wordt gerekend. Artikel 10, lid 1, onderdeel a, van die wet leidt niet tot een afwijking van dit beginsel. Het arrest van de Hoge Raad uit 1951 is niet van toepassing omdat dat betrekking had op een dividendschuld en niet op een dividendbelastingschuld.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken. Tegen deze uitspraak kan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Uitkomst: Het hof verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond en bevestigt dat het vrijvallen van de dividendbelastingschuld tot belastbare winst leidt.