ECLI:NL:GHAMS:2012:BW2980
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over navorderingsaanslag en proceskostenvergoeding bouw woning
Belanghebbende, directeur van een projectontwikkelingsstichting, liet in 1999 een woning bouwen waarbij aannemer [H] formeel de hoofdaannemer was, maar feitelijk (onder)aannemer [C] de bouw uitvoerde. De Belastingdienst stelde een navorderingsaanslag op wegens een vermoedelijk voordeel van circa ƒ 100.000 uit deze bouw, omdat de woning mogelijk onder kostprijs werd gebouwd vanwege zakelijke banden.
De rechtbank vernietigde de navorderingsaanslag wegens onvoldoende bewijs van bevoordeling en kende een beperkte proceskostenvergoeding toe. De inspecteur ging in hoger beroep tegen de omvang van de proceskostenvergoeding en de vraag of bijzondere omstandigheden voor vergoeding van werkelijke kosten aanwezig waren.
Het Hof bevestigde de vernietiging van de navorderingsaanslag. Uit het feitenonderzoek bleek dat essentiële stukken ontbraken, maar dat ook geen overtuigend bewijs bestond voor bevoordeling. De gevorderde vergoeding van loonkosten van belanghebbende werd afgewezen omdat deze niet onder de proceskostenregeling valt. Ook vond het Hof geen bijzondere omstandigheden die een volledige vergoeding van werkelijke kosten rechtvaardigen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De proceskostenvergoeding bleef beperkt tot forfaitaire bedragen conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Er was geen aanleiding voor een kostenveroordeling op grond van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: Het Hof bevestigt vernietiging navorderingsaanslag en wijst geen vergoeding van werkelijke proceskosten toe wegens ontbreken bijzondere omstandigheden.